¶ Thomas Merton's Vroege Leven en Roeping
Ik ga naar gesprek met Willy Eurlings en we doen het aan de hand van een boek De Mens achter de Monk, Thomas Merten: Een Leven in dagboeken. Het is een boek uitgegeven bij Uitgeverheid Daaman in Eindhoven. De mensen achter de monnik, en ik citeer toch even, we hebben eerder gesprekken gehad over Thomas Meurten. Die mag zo uitleggen wie hij was, of misschien wie hij nog is. Er staat op een gegeven moment in het voorwoord van Patrick Hart en Jonathan Montaldo.
Thomas Meurten strompelde in een huis, maar hij is thuis gekomen. Niet langer meer een wees of een balling, niet langer meer een eenling of een verloren zoon, luistert hij een gezelschap van alle heiligen nu volkomen helder naar de stem van zijn geliefde. Zijn reizen ten einde gekomen. Ze zijn altijd op zoek zijn geest, rust in God vrede. Daarna heb je het verhaal van die roeping van de Seven Story Mountain.
Dat laatste stukje mag je misschien zelf wel lezen, want ik bedoel, als blijf ik maar het woord. Dit kleine stukje. En dan mag je iets vertellen over de man zijn achtergrond.
Okay. En toen ik meende dat er geen God was en geen liefde en geen genade... Leide u me de hele tijd naar het centrum van zijn liefde en zijn genade, en bracht me, zonder dat ik het wist, naar het huis dat mij zou verbergen in het geheim van zijn gelaat. Ja, Meurten, wie is hij? Geboren in 1915 tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Een man die heel vroeg halfwees geworden is, omdat zijn moeder overlijdt als hij 5, 6 jaar is. Zijn vader overlijdt als hij 15 is. Voor zover hij een religieuze beleving had. Is die daarna afgelopen? Hij is zo boos over het feit dat hij beide ouders kwijt is. Dat hij besluit om van het leven te gaan genieten. Hij heeft een heel goed verstand, krijgt een beurs voor Cambridge, hangt daar de beest uit een jaar lang.
En dan zegt zijn voogde: vertrek jij maar naar je grootouders, want ik heb hier helemaal geen zin meer in. Hij gaat verder studeren in Columbia University, maar voelt zich daar eigenlijk ook uiteindelijk. Leeggeplunderd, vraagt een boeddhistische of een hindoeïstische monnik, Brahmachari: kun jij mij wat adviseren om de diepte in te gaan?
We beginnen met de beleidnisen van Augustinus en de navolging van Christus van Thomas van Kempen. Dus hier een hindoe die hem puur christelijke boeken aanraadt. Uiteindelijk besluit hij naar een kloster te gaan, wil boete doen voor zijn leven tot dan toe, wil ook ophouden met schrijven. Maar zijn apt ziet hoe belangrijk en hoe goed schrijver hij is.
Geeft hem de opdracht om zijn autobiografie te schrijven. En het stukje wat ik net las, komt uit die bekeringssautobiografie Lauteringsberg, oorspronkelijk The Seven Story Mountain. En het is het eerste geworden van een hele serie boeken over van alles en nog wat. Het begint met heel vrome boeken over heiligen. En daarna gaat het steeds meer de diepte in.
¶ Het Ware Zelf en Godsontmoeting
Ik moet met hem denken aan een vraag die Augustinus ooit een god stelde volgens de overlevering dan. Misschien ook uit zijn boeken wel. Eigenlijk me twee vragen: wie bent u en wie ben ik? Is dat een beetje het verhaal van Thomas Meurten?
Ja, in zekere zin wel. Meurten heeft heel regelmatig in zijn boeken dat het heeft over het ware zelf en het valse zelf. En dat valse zelf is de manier waarop wij overkomen op anderen, maar ook de manier waarop wij onszelf zien in relatie tot anderen. Het ware zelf is datgene zoals wij geschapen zijn. Met de bedoeling van God met ons leven. En daar ontmoeten die twee vragen eigenlijk elkaar van wie ben ik en wie is God?
Eigenlijk kun je die in wat hij dan noemt het point vierge, het maagdelijk punt in jezelf, daar kun je God op moeten. En dat kan eigenlijk alleen maar in in stilte en eenzaamheid. Die moet je dus ook regelmatig opzoeken om... Weer daar in de buurt te komen. En verder heeft het leven natuurlijk allerlei dingen die gewoon moet doen, en dat God voor Molnik ook.
Houtkap in het bos om geld te verdienen en weet ik wat allemaal. En in zijn geval dus ook steeds meer schrijven. Want zijn geschriften waren een belangrijke inkomstenbron, ook voor het klooster waarin hij leefde.
Getrobleerd.
Ja, door het feit dat hij zo vroeg wees geworden is, denk ik, heeft hij natuurlijk toch behoorlijk schade opgelopen in die tussentijd. Toen zijn moeder overleden was, is hij vaak met zijn vader meegetrokken door de wereld. Maar hij heeft zich eigenlijk nergens ooit kunnen hechten. En in dat gezegd is de stabiliteit van het trapistencloos waarin hij uiteindelijk ingetreden is wel eens.
Denk ik heel belangrijk geweest om in ieder geval een lijn vast te houden in zijn leven. De structuur zorgde ervoor dat hij daarnaast vrij was in zijn denken en spreken.
¶ Kloosterleven en de Last van Roem
Altijd zat spreken, als het op schrift gesteld werd, door sensors wel sterk ingeperkt. Maar hij kon daardoor wel ruimte krijgen om te leven en niet. Er is wel eens gesuggereerd door iemand dat als hij niet het klooster ingegaan was, hij waarschijnlijk aan overmatig alcoholverbruik of zo zou zijn ten ondergegaan. En dat zouden we niets verbaasd hebben gezien in zijn vroege leven, neefjaar. Het is getrobleerd.
In ieder geval gekwetst. En ik denk ook dat hij het lastig vond om zich te hechten. Om hij dat niet geleerd heeft in zijn jeugd.
In deze dagboeken herhaarlijk heeft hij zoiets van ja, ik zit hier wel in dit convent of in dit klooster. Get semen, dacht ik. Maar op de een of manier had hij er ook een. Nou, een afkeer wil ik niet zeggen, maar het was niet zijn meest favoriete plek op een bepaalde manier in de communiteit.
Nee, dat is zeker een begin wel. Omdat hij daar de rust kan vinden om de diepte in te gaan. Van het leven van alleen maar achterna lopen van je eigen behoeftevereniging om daar afstand van te doen. Maar. Het klooster zelf zat toen hij erintrat eigenlijk financieel zo'n beetje aan de grond. Toen Seven Story Mountain, de Slauteringsberg, een kastsucces bleek te zijn. Heeft zijn toenmalige Abtenvoorschot gevraagd van de royalties om op dat jaar de kosten van het klooster te kunnen dekken.
Ik denk dat hij in die gemeenschap... Toen de nieuwe apte kwam... Is hij besloten om naast de inkomsten van Meurten, die zeker een rol speelde, het klooster te moderniseren en heeft daar de mechanisatie van het boerderij in gang gezet. En dat betekende steeds meer herrie in dat klooster, want de ene machine naar de andere kwam.
En in de tijd dat Merten dan nog jonge monnik was, was hij natuurlijk gehouden om zich binnen de clausuren op te houden. En dat is een vrij beperkt deel waar ook de werk ateliers waren van de landbouw. Dus hij kreeg steeds meer herrie. En hij wilde eigenlijk meer stilte. Hij wilde er diep in kunnen gaan. En is dus geprobeerd op allerlei manieren om naar de Kamelenzen te gaan of naar de Cartuizens te gaan, om daar.
Een soort kluisenaarsleven te gaan doen. Maar dat werd hem steeds geweigerd. Zeker ook omdat hij langzamerhand de beroemste trappist werd in de wereld zelfs. Als je bedenkt dat. in 1949 drie van zijn boeken in de New York boekentoptien hebben gestaan, geeft dat aan hoe razend populair hij werd als de trappist die kon schrijven. Als hij het klooster zou hebben verlaten, zou dat voor de orde zelf heel negatief zijn geweest.
Hij kijkt er zelf ook nogal. Aan de ene kant is hij er best wel trots op. Alleen op een gegeven moment merkte hij van, oei, dit heeft een heel gevaarlijk kantje dat bekend zijn.
Yeah.
Voor zichzelf dan, ik bedoel niet voor anderen.
Kijk, in het klooster was dat niet zo gevaarlijk, want hij was daar Vader Louie. Ik heb verschillende novicen gelezen dat ze daar binnenkwamen, omdat ze Meurtens boeken gelezen hadden. En als ze in dat klooster eenmaal waren, ze ontzettend hadden af te vragen welke vrome man nu. Van Vater Louie zou zijn.
Een van zijn novice zegt op een gegeven moment, heeft u dit boek gelezen? En dan schrijft hij, Loutrixberg aan Meurten. Ja, zegt Meute. Zegt vader Louie dan? Ik heb het geschreven. Dus hij komt er dan pas achter dat dat dezelfde persoon is. Maar hij krijgt last van die beroemdheid.
Omdat het een soort verwachtingsprotoon van buiten betekende. Maar dan is zo'n klooster ook wel weer heel positief. Want die beroemdheid werd gewoon weggehouden uit het klooster. Er waren geen interviews met hem. Dat mocht gewoon niet klaar. En dus. Hij krijgt er last van als hij op een gegeven moment zich verder ontwikkelt en wat minder brome boeken gaat schrijven, dan begint hij zich eigenlijk te schamen voor die vroege boeken.
Hij zegt op een gegeven moment, en dan is het tien jaar denk ik na het verschijnen van Lauteringsberg, ik ben die persoon helemaal niet meer. Die persoon is dood.
¶ Mertons Blijvende Erfenis en Gebed
Nou, absoluut niet, denk ik. Als je ziet hoeveel er gepubliceerd wordt ieder jaar over hem. Ik denk dat er ieder jaar twee, drie proefschriften verschijnen rondom hem, om maar eens wat te noemen. Er zijn allerlei groepen waarom de Vlaams-Nederlandse groep Meurtenvrienden van de lage landen er één van zijn. Maar in Europa, in de Filipijnen, in Latijns-Amerika, in de Verenigde Staten van Amerika ook. Dus hij leeft bij heel veel mensen.
Maar dat aspect van ik ben een beroemschrijver, wat deed het met zijn ego? Want daar schrijft hij wel over. Ik vind hem daar fantastisch eerlijk in.
Hij realiseert zich steeds meer hoe belangrijk hij is voor andere mensen. En dat eigenlijk hij dat na zich neer moet leggen, want het is gewoon de manier waarop God hem gebruikt om in de wereld dingen te zeggen die mensen blijkbaar helpen om ook die toch naar binnen te maken. Dus aan de ene kant stemde hem dat denk ik dankbaar. Aan de andere kant hij raakte er niets over het paard gedeeld van.
Hij zegt op een gegeven moment in een van die dagboekantres dat gebed zijn roeping is. Wat bedoelt hij ermee?
Wat ik net zei is dat er een zo'n maandelijk punt is in jezelf waar je God kan ontmoeten. Dat kan eigenlijk ook alleen maar in de stilte en in de eenzaamheid. En het geroepen zijn daar betekent dat je in feite bid. En het bidden is dan, je heeft dat een keer in een brief van Abdulaziz, een Pakistaanse Soefimeester met wie hij correspondeerde gezegd. Mijn bidden bestaat eigenlijk vooral met gaan staan en mij open te stellen met het idee dat de Heer hier bij me is. Klaar.
En eigenlijk zijn woorden dan ook niet meer nodig. Het is genoeg om echt te zijn. Ik heb onlangs een brief, ik ben bezig met een brievenverzameling van hem, bloemlezen daarvan te vertalen. En dan zegt hij naar een zuster die blijkbaar iets heeft gezegd naar hem dat ze moeite heeft met het gebed ook. Dan zegt hij, ga probeer iedere dag even een kwartier of een half uur een bloemenperk langs te lopen. En je daar open te stellen voor God.
En hij zegt, dan komen er ongetwijfeld dingen die je vandaag nog moet doen en zo allemaal boven. Probeer ze los te laten. En als het niet lukt, probeer er God in te ontdekken. Maar probeer gewoon je gedachte te houden bij het feit dat je daar open staat voor God. En al die dingen die dan te binnenschieten. Zeg even nu niet, want ik ben nu in gebed. Dus dat openstaan naar God toe, dat is in feite de kern van wat gebidden is.
Is hij daarin schatplichtig aan bijvoorbeeld Therese van Avila en Johannes van het Kruis?
Ik denk meer Jan van het kruis dan Therese van Avela. Ik denk dat hij meer Jan van het Kruis gelezen had. Therese van Liesieu, daar had hij een grote waardering voor, vereering voor. Maar natuurlijk ook zo'n soort, ja doe maar hier met mij wat nodig is, klaar. En ik denk dat hij daar wel grote bewondering van had. Voor dit soort mensen die eigenlijk het openstaan en het dan ook niet meer weten. En soms zelf persoonlijk daar in crisis doorkomen.
Want de donkere nacht is geen aantrekkelijke manier om te zijn. Omdat je verloren raakt en geen houvast meer vindt en daardoor heen moet blijkbaar.
¶ Loslaten en Openstaan voor God
Hoe is die weg daar naartoe geweest? Want hij was op het moment dat hij het klooster inging, had hij een periode soms van van hij wist het allemaal. Zegening op zegening, om het zo maar te zeggen. Ja, zo hoor je dit te zeggen.
Het is een terminologie die hij heeft van Jolien of Norwich, een 14-eefse mystica die ook heel graag lag. Ja, in het begin heeft hij allerlei zekerheden. En hij heeft op een bepaald moment gezegd. ik ben steeds meer mijn zekerheden raak ik kwijt. Ik heb ook geen goede antwoorden meer. Ik ben gaan leren om de betere vragen te stellen. En vragen te openstaan naar het leven, denk ik, dat is voor een deel ook bidden.
En dat is zijn manier steeds meer geworden. En het heeft te maken ook met een gigantische nieuwsgierigheid die deze man had voor.
Maar het openstellen, wat je net zegt, misschien een rare vraag, maar hoe doe je dat?
Ja, hoe doe je dat? Er zijn denk ik heel verschillende manieren waarop dat kan. Maar het vooral door stil te worden. Er zijn mensen die het hebben door in de natuur te lopen. Er zijn momenten dat je schriftpassages leest waardoor je opeens open gaat. Daar zijn geen vaste recepten voor. Uiteindelijk komt God binnen op de manier waarop hij denkt dat hij bij jou binnenkomt. Of hij of zij of het, ik bedoel, hoe je God ook wilt formuleren. Meuthen gebruikt in een van zijn brieven een keer.
Voor die ultieme werkelijkheid die wij dan God noemen, de verborgen grond van liefde. En eigenlijk vind ik dat een van de mooiste formuleringen die ik ooit gehoord heb over God, de verborgen grond van liefde.
Maar dan die verstillingen. Hij wilde de eenzaamheid in. Het was een ideaal op een gegeven moment. En ik had het idee dat hij een ideaal nastreefde waar hij eigenlijk net niet bij kon.
Ja, ik denk dat hij op een gegeven moment leerde dat je ook dat moest loslaten. Hij krijgt op een gegeven moment een uitnodiging om in een benedicteinerabdij in Mexico te komen wonen. Een heel vrij eenvoudige abdij, heel primitief. En hij wilde daarop ingaan. Maar ja, hij mag dan natuurlijk wel niet van zijn orde. En hij heeft toen een brief gestuurd aan een paar. aan een kardinaal. Hij heeft gewoon om zijn overste heen een brief gestuurd aan een kardinaal. Om te vragen van.
Kan ik hier weg om op die manier te gaan leven? En ik krijg dan een brief van twee kardinalen terug. Beide ondertekent dat het echt niet kan. En dat het slecht zou zijn voor hem, slecht zou zijn voor de orde, en slecht zou zijn voor weet ik wat allemaal. En op dat moment accepteert hij dat volledig. En als hij dat geaccepteerd heeft, tot verbazing wordt hij daar heel rustig van. Dus ook dat loslaten van het ideaal.
Zit dat aan de grondslag van overgave? Je geeft jezelf niet alleen over, maar ook dat je alles overgeeft wat je graag zou willen doen, graag zou willen worden of zelfs niet zou willen worden?
Ja, ik denk dat dat de kern is. Steeds minder dingen hebben waar je nog naartoe wil. Op het einde van zijn leven is hij dus naar Azië kunnen gaan. Waarom? Omdat hij met mensen wilde uitwisselen. Datgene wat hij wel in boeken gelezen had, maar dat is geen ervaringsuitwisseling. En je merkt dan heel veel verschillende dagboeken ook dat er momenten zijn waarop je iemand ontmoet met wie die ervaringen kan delen. En die ervaringen gaan dan.
Die gaan dan echt werkelijk iets over. Niet over de manier waarop het gezegd wordt, maar omdat je de ervaring herkent bij elkaar. Dus het is niet zozeer nieuwsgierigheid van Meurten of dat hij op zoek was naar iets compleet anders. Nee, hij wilde die ervaring voller beleven door de uitwisseling met anderen.
¶ Behoren tot God, Jezelf Vinden
Ga terug in zijn leven. Hij zegt op een gegeven moment in een van zijn brieven of even zijn dag ook entrees van: ik wil God toe behoren. En op een gegeven moment geeft hij daar een antwoord op. Misschien gewoon een stukje lezen, want dan horen we de man zelf een beetje aan het woord. Ja, jij zegt het wel, maar goed, hij schreef het.
Oké. Om aan God toe te behoren, moet ik aan mezelf toe behoren. Ik moet alleen zijn, althans innerlijk alleen. Dit betekent de voortdurende hernieuwing van een beslissing. Ik kan niet van andere mensen zijn. Niets van mij behoort iemand toe, behalve God. Absolute eenzaamheid van de verbeelding, de herinnering, de wil. Mijn liefde is voor iedereen gelijk, neutraal en zuiver. Geen exclusiviteit.
Eenvoudig en vrij zoals de Hemel, omdat ik van iedereen houd en niemand mij bezit of vasthoudt of bindt. Om niet te worden herinnerd of zelfs gewild, moet ik iemand zijn die niemand kent. Ze kunnen Thomas Murten hebben, die is dood. Pater Louis, die is ook half dood. Voor mijn part is mijn naam die hemel, die afrasteringspalen en die zederbomen.
Ik ga niet eens nadenken over wie ik ben. En ik zal niet beweren dat met identiteit niemand iets aangaat, want dat impliceert een brutaliteit die ik niet bedoel. Het betekent niets. Mijn hele leven bestaat nu hieruit. Onbezwaard blijven. De wind bezitten velden waar ik loop. En ik bezit niets en niets bezit mij. En ik zal nooit vergeten worden, omdat niemand mij ooit zal ontdekken. Voor mij is dit een bron van enorm vertrouwen. Vanmorgen werd men mis getransfigureerd door deze onafhankelijkheid.
Als je iets zo leest, wat denk je dan?
Wat mooi dat je dat kan. En wat jammer dat dat zo kort duurt, zo'n inzicht. Want even later gaat het dan weer alle kanten op, denk ik.
Ja, hij zegt daarnaast, ze zijn de padenstallen aan het afbreken. Dus ik bedoel, het is een doubloek-entré. Hij noemt een beetje van de hak op de tak springen. Dat heeft hij wel. En dat is hier gaan waarderen op een gegeven moment. Dat gesprekken niet vaak analytisch verlopen volgens een bepaald patroon ook. Maar dit, dat hij gewoon. Hij is ergens, overdenkt dit en tegelijkertijd zit hij weer in een hele andere, niet een andere werkelijkheid, maar het komt anders over van binnen.
Ja, dat heeft ook een beetje te maken met zijn manier van schrijven. Hij schrijft ergens, als ik begin te schrijven, weet ik nog niet waar het over gaat. Hij schrijft al denkend en denkt als schrijvend. En dat is niet vele gegeven, denk ik, om dat dan met een dergelijke kwaliteit te doen. Dus dat we op de hak op de tak springen, als wij zelf proberen na te gaan hoe vaak wij in onze gedachten van de hak op de tak springen.
Dan is dat eigenlijk helemaal niet zo raar. Maar als je dus schrijft op die manier, dan komt dat vanzelf ook in die dagboekaantekeningen naar voren, ja.
Dat God toe behoren. Hij zegt, ik wil hem toe behoren. Dan heeft hij het over God en zichzelf toch. En toch probeert hij zichzelf. Nou, niet dat niets te maken, dat vind ik te ver gaan, maar helemaal weg te cijferen. Is dat nederigheid of ga ik nu een verkeerde kant?
Ja, natuurlijk is het nederigheid. De nederigheid is het zevende hoofdstuk van de regel van Benedictus en dat is het langste hoofdstuk van de hele regel. Het is een van de kernbegrippen überhaupt van het kloosterleven. Het is iets wat hij zelf heel goed realiseert. Je ziet al in zijn vroege boeken dat hij de tegenstelling waren zelf en valsen zelf bijvoorbeeld, waar ik het straks even over had, dat hij die gebruikt.
En dat valse zelf, hoe belangrijker je dat, wat wij tegenwoordig vaak ego noemen, hoe belangrijker je dat vindt, hoeveel meer aandacht je daaraan besteed, leidt je in feite weg van God. Nederigheid betekent dat je dat steeds minder belangrijk gaat vinden. En dat je eigenlijk zelfs alle denken daarover zoveel mogelijk moet proberen te vermijden. Nu moet ik even proberen daarvan afstand te doen. Zelfs dat kan tot ijdelheid leiden.
Is het een soort van onbewust leven wat hij... Nou, naastreven is een beetje gek is dat, want dat lijkt een contradictie aan termination. Maar is het een manier van onbewust leven wat sommigen van ons heel erg gegeven is?
Ik zou het zo niet formuleren, denk ik, onbewust leven. Hij heeft een keer een lesgegeven aan zijn ofice. Daar ging het over de vraag: wanneer ben je nou vooral bezig met jezelf? En hij geeft dan het volgende advies. Hij zegt: vraag je bij alles wat je doet af of je daarmee een antwoord geeft. Een antwoord op God, een antwoord op je medeboeders, een antwoord op de situaties zoals hij zich voordoet.
Als het geen antwoord is, ben je waarschijnlijk met jezelf bezig. Er zijn twee mensen die kunnen exact hetzelfde doen. En de ene is met... Probeert te leven vanuit God en de andere probeert gewoon vanuit zichzelf. Omdat hij vindt dat hij goed doet als hij dit op dit moment doet.
Dan ben je dus niet een antwoord aan het geven. Dan heb je zelf een beeld van hoe je zou moeten zijn en probeer daaraan te beantwoorden. Want dat is het antwoord op jezelf. En niet op datgene wat je aangedragen wordt. Of ingebed of door je ontmoeting met je medeboeders. Of anderen. Of door de situatie die iets van jou vraagt.
Als je dan een keertje de fouten gaat, zeg je die prachtige zin. Ik heb als christen gezondigd en ik denk dat je hebt iets niet begrepen en dat ik dan.
Het is natuurlijk het mooie dat de katholieke kerk de biecht kende waarin je dat soort dingen kon beleiden en dan weer opnieuw kon beginnen. Nou ja, even los van het feit of je dat wil of niet. De kern natuurlijk van gelovig leven is wel dat je A realiseert dat je steeds valt. Want als je je dat niet realiseert, dan zou je dat ook een vorm van egocentrisme kunnen noemen. Het erkennen dat je dingen niet goed doet, is heel belangrijk, denk ik, binnen een religieuze beleving.
Je ook realiseren dat je gewoon uitgenodigd wordt iedere keer om weer op te staan en weer aan de slag te gaan.
Dus het is geen tekort schieten aan het zelfbeeld wat je van jezelf hebt.
Als het dat wordt, dan heb je een probleem, dan is religieus gezien een probleem. Okay.
¶ Armoede, Waarneming en Innerlijke Stilte
Wat arm was, is oneindig geworden. Wat oneindig is, was nooit arm. Ik heb de armoede steeds gekend als oneindig, want ik houd helemaal niet van rijkdommen. Gevangenissen in gevangenissen in gevangenissen. Leg geen voorraad van verrukkingen aan op aarde, waar tijd en ruimte vergaan, waar de minuten storen en stelen. Klamp je niet meer vast aan de tijd, Jona, mijn zoon, opdat de rivieren je niet zouden verzwelgen. Wat breekbaar was, is sterk geworden.
Ik hield van wat het meest breekbaar was. Ik zag om naar wat niets was. Ik heb aangeraakt wat geen substantie had, en in wat niet was, ben ik, en dat ik sta met hoofdletter. Douwdruppels schitteren als safieren in het gras zodra de ochtendson verschijnt en bladeren trillen bij het gedempte opvliegen van een wegvluchtende duif.
Misschien een hele rare opmerking, maar is dit een soort, die laatste twee zinnen? Een soort gevolg van datgene wat hij hiervoor schrijft. Meet op te merken.
Ik denk dat het een herkenning is van datgene wat daarna bedacht is. En je herkent dat erna in iets wat fysiek gebeurt, wat je waarneemt. Dus in dat opzicht klopt dat bij elkaar. Want je kunt natuurlijk. Dat gevangenis in gevangenis, in gevangenis, lijkt een beetje op die uitspraak van Julian of Norwich. Mercy on mercy on mercy.
Genade op genade op genade. Het zijn zinnen die je uit boeken haalt, die bij je binnenkomen waarin je iets herkent van het goddelijke. En dan opeens een natuurbeschrijving. Die bij wijze van spreken bijna als een zenformulering daar neer ligt. Die ook alleen maar bestaat uit het kunnen waarnemen van iets. Klaar.
Ik heb het met... Maar goed, ik ben schatplichtig aan George MacDonald uit de 19e eeuw. Als ik aan Leeuwik hoor, dan moet ik altijd een zinnetje denken in een van zijn boeken: Meneer Leeor, zat God aan bidden in de kathedraal. Terwijl hij waarschijnlijk zat ik in te leren om een vrouwtje te trekken. Maar goed, dat aspect.
Ja, dat is heel wezenlijk. Het kunnen waarnemen, het puur kunnen waarnemen, zonder daar direct alweer allerlei gedachten in te hebben. Is denk ik voor hem ook de manier waarop hij probeert naar God te kijken. Kijk, op moment dat ik een winterkoning zie en denk, ah, een winterkoningje is in feite de ervaring alweer weg. Als ik kan blijven bij het kijken naar dat winterkoningje en me in die ervaring kan blijven zonder dat weer te gaan, in woorden te gaan inkleden.
Als ik op die manier bij God kan zijn, zonder daar weer allerlei woorden voor nodig te hebben. Dan ga je in feite de diepte in. Dan is het met name ook stil in je hoofd. Die stilte is zo wezenlijk voor het God kunnen ervaren. Maar dat kan ook in het. Een spelend kind zien, of in welke ervaring dan ook. Misschien heb ik wel een stukje op zichzelf dat nog wat meer toelicht waar we het net even over hadden.
¶ De Nachtwake van een Kluizenaar
Iemand heeft hem ooit gevraagd om zijn dag in zijn kluis te beschrijven. En dat doet hij in 1965. Een Latijns-Amerikaanse schrijver die hem dat vroeg. En daar ga ik een fragment uit lezen over zijn als hij s'nachts opstaat. Om kwart over twee morgen sta ik op, wanneer de nacht op zijn donkerst en stilst is. Misschien komt dat door een of andere aandoening. Ik bevind mezelf in de oorspronkelijke verlorenheid van de nacht, eenzaamheid, bos, vrede.
Een wakkere in de nacht die uitziet naar licht en die zich nog niet helemaal heeft verzoemd met het feit dat hij uit bed is. Er verschijnt een licht en in dat licht een icoon. Nu is er in die grote duisternis een kleine stralende kamer met psalmen daarin. Moeiteloos bloeien stil de psalmen uit eigen beweging op als planten en dit voor hun gunstige licht. De planten houden zich rechtop stammen die maar uit één ding bestaan: mededogen, of liever groot mededogen, magia misericordia.
In die vormeloosheid van de nacht en de stilte spreek dan een woord zichzelf uit, mededogen. Het wordt omgeven door andere minder belangrijke woorden. Vernietig onrecht. Was mij, reinig, ik ken mijn ongerechtigheid. Becavi, ik heb gezonder. Concepten die geen betekenis hebben in de wereld van zaken, oorlog, politiek, cultuur enzovoorts. Concepten ook waar ook kerkmensen vaak weinig belangstelling voor hebben.
Wat je hier ziet is dat hij steekt een kaars aan, want er was nog geen elektriciteit in de kluis, hij steekt een kaars aan om de psalmgebed te gaan bidden van de nocturnus. En die psalmen bloeien opeens, die groeien als planten. Je ziet dat hij heel veel voor de natuurbeelden gebruikt. Om een beschrijving te geven van wat eigenlijk de kern is van zijn bestaan daar. Met een paar grappige opmerkingen dat hij eigenlijk zo niet verzoend heeft met het feit dat hij uit bed is.
Maar ook dat is een ervaring die je op dit moment hoort bij dat nachtelijk gebeuren waarin hij in die psalmen zich met God probeert te verenigen.
¶ Voorbij Theologische Voorzichtigheid
Ik heb een stukje op, en dan gaat het over. Op een gegeven moment is hij getriggerd door de Russendenken, de orthodoxie ook. En dan gaat hij het hebben over theologische voorzichtigheid, dat stukje misschien.
Je vraagt je af of onze theologische voorzichtigheid uiteindelijk niet een fatale kilheid van het hart is. En of schuurlijke steriliteit geboren uit angst of wanhoop. Deze twee mannen hebben het aangedurd om fouten te maken en waren voortbestemd om te worden veroordeeld door elke kerk om iets groots en waardigs over God te vertellen, te midden van al hun verkeerde standpunten. Het is in ieder geval een periode, eind jaren 50, waarin hij vrij veel Russische theologen leest.
En ik denk dat deze open donder gehad hebben vanwege een interpretatie die eigenlijk niet door de kerkelijke mensen geaccepteerd werd. Het is iets wat hij natuurlijk heel erg herkent. Omdat de sensors van zijn orde heel vaak dingen afwijzen die hij schrijft, omdat ze niet volledig in de...
And the line
van liggen van datgene waarvan die sensoren denken dat dat de lijn van de kerk is. Er is zelfs ooit een sensor geweest die vond dat Mertenmar een goede cursus van hoe leer ik schrijven moet gaan doen, terwijl dit een van de topschrijvers is uit die periode. Het is natuurlijk ook iets wat hij herkent, omdat hij zelf. Een vrije geest was, die ook keek waar hij in andere tradities er zaken waren waardoor hij zelf betere inzicht kon krijgen in waar het in het leven om gaat.
Ik moet een stukje verder lezen, want ik denk dat het dan wel iets meer uit het licht komt.
Ik ga verder. Ze hebben de uitdaging aan durven gaan van de wijsheidsboeken. De uitdaging van het beeld van spreuken naar wijsheid in de wereld dat speelt voor het aanschijn van de schepper. De kerk zegt dit zelf. Sophia moet op de een of andere mysterieuze manier worden onthuld en verhuld worden in de Moeder van God en in de kerk. En het meest belangrijke. De creatieve roeping van de mens om bewust de uiteindelijke triomf van de goddelijke wijsheid voor te bereiden.
De mens, de microcosmos, het hart van het universum, is degene die geroepen is om de fusie tot stand te brengen van een kosmisch en historisch proces in het uiteindelijke inroepen van Gods wijsheid en liefde. In de naam van Christus en door zijn macht heeft de mens een werk te voltooien. De kosmos aanbieden aan de Vader door de kracht van de Geest in de glorie van het Woord. Ons leven is een krachtig pinksteren waarin de Heilige Geest die steeds in ons actief is...
Via onze geïnspireerde handen en tongen probeert door te dringen tot het hart zelf van de materiële wereld, die is geschapen om vergeestelijk te worden. Door het werk van de Kerk, het mystieke lichaam van het vleesgewoorden woord van God.
Daar doet hij vaker op, dat wij het lichaam van Christus zijn. Dat bedoel ik in de. niet in de theologische zin, maar dat we hier het leven leven zoals het gelezen wordt. Tegelijkertijd staat daar die. wat je in eerste instantie las. Of theologische voorzichtigheid uiteindelijk niet een fatale keelheid van het hart wordt. Dus dat we zo vast kunnen klampen aan theologieën, om het zo te zeggen, dat we niet meer weten dat het om een andere persoon gaat.
Ja, ik denk dat het heel wezenlijk is. Zo gauw je iets in woorden vastlegt... Loop je steeds het risico dat ze bevriezen in die vorm en daardoor hun eigen leven gaan leiden? En dan gaat het niet meer over de werkelijkheid. Veel van zijn geschriften zijn oftewel ervaringsgearde,
Furtelling in.
Maar ook soms gedachten die openingen kunnen bieden voor de lezer. Waarin je kunt zoeken in een bepaalde richting. En dat betekent dus dat het niet abstract mag blijven. Als je naar de tien geboden kijkt, het is ons verboden om beelden te maken. Dat was in de tijd dat die werden opgeschreven, waarschijnlijk ook heel fysiek bedoeld. Beelden die vereerd konden worden in een of andere tempel ofzo.
Maar eigenlijk is dat veel breder. Wij zijn zelf gemaakt naar beeld en gelijkenis van God. We hebben dat beeld dus in ons. Die gelijkenis, zoals Bernardes van Claveau ergens in een van zijn prekers zegt, daar zijn we voortdurend mee bezig om die te misbruiken, waardoor we niet op God gelijken. Maar beelden, wij mogen ons geen beelden van God maken. Dan op het moment dat je dat wel doet, en dat kun je doen ook door het in woorden vast te leggen, ga je voorbij aan wie God werkelijk is.
Ik heb laatst iemand. Ik weet niet precies meer waar ik het gelezen heb. Jawel, ik denk dat een bischop Robert Baron die op een gegeven moment zegt, we hebben geen relatie met God. We zijn een relatie met God. Vanuit dat beeld, zoals wij geschapen zijn, heeft God een bepaalde bedoeling. En vanuit die bedoeling.
zijn we opgeroepen, Maarten zegt het ergens, heel erg concreet, om mee vorm te geven aan de schepping door het feit dat wij daar deel van uitmaken en dus ook onze taak daarin te verrichten hebben.
¶ Mens-zijn Accepteren en Openbaren
Jij zegt het hier. We kunnen eindeloos lezen van die man natuurlijk. Ja, mag dit een stukje zo lezen? Kijk hem.
Eindeloos kom ik tot de conclusie dat mijn hoogste ambitie is om te worden wie ik al ben. Dat ik nooit mijn verplichting zal vervullen om mezelf te overtreffen, tenzij ik mezelf eerst accepteer. En wanneer ik mezelf helemaal op de goede manier accepteer, zal ik mezelf al overtroffen hebben. Want het is het niet geaccepteerde zelf dat mij in de weg staat, en dat zal blijven doen zolang ik het niet accepteer. Wanneer het is geaccepteerd, zal het mijn opstapje zijn naar wat boven mij is.
Want dit is de manier waarop de mens door God is gemaakt. De erfzonde was de poging om jezelf te overtreffen door als God te zijn. Dat wil zeggen niet als jezelf. Maar onze goddelijkheid begint bij onszelf. We moeten eerst onszelf worden en ophouden om naast onszelf te leven. En even verder zegt hij, of een andere tekst, in hetzelfde dagboeken zegt hij. Ik moet mezelf proberen te zijn. Ik kan sowieso eigenlijk niet anders dan mezelf te zijn.
Maar de nadruk die onze maatschappij ligt om ik moet mezelf zijn, zegt hij. Wat die mensen vaak bedoelen daarmee, zegt, dan loop je het gevaar om een schade te worden van je eigen illusie. Die formuleren een schaduw te worden van je eigen illusie. Die eigen illusie is dat valse zelf. En als je dat nastreeft, zelfs de schaduw, alleen maar daarvan ben je dan. Want het bestaat helemaal niet.
¶ Diarist's Dageraad Openbaringen
Ik ga naar deel 4. Het boek bestaat trouwens uit zeven delen. Waarom eigenlijk?
Omdat dit boek een bloemlezing is uit de zeven dagboeken. En die zeven dagboeken zijn uitgegeven. Nadat het mocht, hij is in 1968 overleden, dus 25 jaar later mocht men daarmee gaan beginnen. Maar de orde zelf trouwens nog wel van schok. Want Meuthe is natuurlijk heel jong overleden, op zijn 53ste al, dus er waren allerlei mensen nog een leven die in die dagboeken stonden.
Dat kon wel eens pijnlijk zijn. Ik geloof nergens dat het ooit tot problemen geleid heeft. Maar het zijn inderdaad zeven delen geworden. Alle bij elkaar zo'n kleine 3000 pagina's geloof ik. En dus deze samenstellers van deze bloemlezing hebben het op die manier vormgegeven.
Ik ga naar deel 4 toe, Cruciale Jaren heet dat. Misschien daar het intro van lezen. Dat is wel mooi. En dan heeft hij ook zo'n. Er zitten stukjes in wat ik puur prosa vind.
Vader, ik smeek u mij in deze stilte te bewaren, opdat ik daarin het woord van uw vrede en het woord van uw bemachtigheid en het woord van uw goedheid voor deze wereld mag vernemen. En dat door mij misschien uw woord van vrede gehoord mag worden, waar het lange tijd niet mogelijk was dat iemand het hoorde. Het licht zelf en de tevredenheid van de Geest zijn genoeg. Amen. Hij beschrijft in het volgende stukje in het begin van dit deel zijn ervaring: om half drie.
Geen geluiden, behalve soms een brulkikker. Op sommige ochtenden zegt hij om. Op sommige dagen is hij stil. De geluiden zijn niet iedere dag hetzelfde. De nachtswaluw die zijn mysterieus geroep begint rond drie uur is niet altijd dichtbij. Soms, zoals vandaag, is hij erg ver weg in Lintensbos of nog verder. Soms is hij dichtbij op Mount Olivet. Gisteren waren het er twee, maar allebei op afstand. Het eerste rit chilp van de ontwakende vogels, Le Point Vierge, het maagdelijk punt van de dageraad.
Een moment van ontzacht en onuitsprekelijke onschuld, wanneer de Vader in stilte hun ogen opent en ze tot hem spreken en zich afvragen of het al tijd is om te zijn. En dan ontwaken ze één voor één en beginnen te zingen. Eerst de katvogels en de kardinalen en enkele andere die ik niet herken. Daarna volgt het gezang van de mussen, de winterkoning enzovoort. Helemaalas laatste de duiven en de kraaien.
Met mijn haar bijna overeind en met de ogen van mijn ziel wijd open ben ik aanwezig in dit onuitsprekelijk paradijs. Zonder het allemaal te kennen. En ik aanschouw dit geheim, dit wijdopen geheim, dat voor iedereen bereikbaar is. Gratis, zonder dat iemand er aandacht voor heeft. Onder het T.L.-licht houden zelfs Monniken hun mond niet, oog in oog met de grote boeken en de zware aantekeningen en met elkaar en tijdens de feestelijke louden zien of horen ze misschien niets meer.
O paradijs van eenvoud, zelfkennis en zelfvergetelheid, vrijheid, vrede. Hier heb ik me gerealiseerd hoe dwaas en onwerkelijk mijn momenten van opstandigheid zijn. Maar ook hoe onvermijdelijk de druk en de kunstmatigheid is van bepaalde situaties die zo moeten zijn tussen aanhalingstekens. Omdat ze officieel onaantastbaar zijn. Toch is het niet nodig om opstandig te zijn, alleen maar vragen om genade. Ik moet vertrouwen op genade wat ik niet heb gedaan.
Thank you.
Wat heeft hij wel gedaan?
Proberen te vertrouwen op genade. Heb je gedaan. Ik denk dat hij zich realiseert zoals elk mens die serieus naar zichzelf kijkt, dat hij daar permanent in foalt. Dus die valt weer en dan moet je weer opstaan.
¶ Dogma, Mozart en Karl Barth
Hij heeft een paar blasten verder in 1960 is dit inmiddels. Over Karel Bart had een dromen van Mozart. Ik vind het een hilarisch stukje.
Ja, dat is een hilarisch stukje. En dat hij eigenlijk nog verder uitgewerkt heeft in bespiegelingen van de schuldige toeschouw. Dat begint daar zelfs mee. Ja, Merten heeft een. Fysiek in een aparte relatie met Bart, want ze zijn dezelfde dag overleden. Allebei op 10 december 1968. Maar ik zal een stukje even voorlezen. Karel Bart had een droom over Mozarts.
Tussen haakjes, Mozart was katholiek en Bart is vervolgen omdat Mozart het protestantisme niet mocht, want hij zei dat het alleen in het hoofd zat. En dat ze de betekenis van het Anjus Dei, quitoris peccatamundi, dus het Lam Godstad de zon van de wereld weggaat, niet kenden. waar droomde dat hij Mozart moest examineren over dogmatiek. Hij wilde het zo gemakkelijk mogelijk maken en maakte in zijn vragen nadrukkelijk toespelingen op de missen van Mozart. Maar Mozart gaf geen enkel antwoord.
Ik ben geneigd om Bart een brief te sturen over deze roeren droom, die natuurlijk gaat over zijn eigen verlossing. Hij zegt dat hij jarenlang iedere morgen moodsaar draait voordat hij zelf aan het werk gaat met het dogma. Stel je voor, dogma is zijn dagelijks werk. In Mozart in hemzelf is misschien op de een of andere manier het betere, verborgene wijsheidsfeit dat de kern van kosmische muziek bevat en dat gered wordt door de liefde, jawel, eros.
De andere, de theoloog, lijkt meer bezig met liefde, maar het is een strikte, eigenlijk eerder cerebrale agapé. Een liefde die niet in ons zit, alleen in God. Ik herinner me mijn eigen droom over protestanten. Tussen haakjes ze vormen misschien mijn agressieve kant haakjes sluiten. Bart wil misschien gered worden door de Mozart in hemzelf.
Baart is natuurlijk zijn hele leven lang bezig geweest met dogmatiek en moet dan een tentambij motzaad over dogmatiek afnemen. Dat is een beetje cynisch eigenlijk. Ik denk dat hij probeert hier Baart, die Meutten trouwens vrij goed kende. Ik heb de laatste keer daar met een Protestantse theoloog over gehad die zei. Hij kende hem echt goed. Hij heeft hem goed gelezen. Aan de andere kant heeft Meurten erg veel moeite met dogmatiek.
Dus dat je daar je leven lang mee bezig kan zijn, is iets wat Meutte in ieder geval nooit gedaan zou hebben, denk ik. Op het moment dat je die dingen toch weer vastlegt in woorden, wordt het vermutten, loop je het risico om weer iets neer te zetten wat een eigen leven gaat leiden.
Hij heeft al die dagboeken in woorden geschreven.
Daar zit natuurlijk het probleem. Het medium waarmee Marten probeert van woorden af te komen, bestaat uit woorden. Ja, dat is realiseert zich dat ook met enige regelmatig hoor. En Neemt dan weer afstand van andere dingen. Je kunt ook zeggen dat hij... Absoluut niet consistent is in zijn denken. Hij zal iets wat hij vroeger geschreven heeft. Het kan wel zijn dat hij dat een jaar of twee, drie later opeens heel anders ziet.
Ik heb hier nog een stukje. Dat is een stukje in 13 augustus 1965 uit zijn dagboek.
De blijdschap dat ik mens ben. Dit feit dat ik een mens ben, is een theologische waarheid en een mysterie. God werd mens in Christus. Door te worden wat ik ben, verenigde Heij me met zichzelf en maakte mij tot zijn openbaring, zodat het nu mijn taak is om Hem te openbaren. Mijn werkelijkheid bestaan als waarachtig mens hangt ook hiervan af.
Dat ik door mijn vrijheid aan zijn licht gehoorzaam en hem in staat stel om zichzelf in mij te openbaren. En de eerste die deze openbaring ziet, is mijn eigen zelf. Ik ben zijn missie voor mezelf en via mijzelf voor alle mensen. Hoe kan ik hem zien of ontvangen wanneer ik minacht of vrees wat ik ben? Mens. Hoe kan ik lief hebben wat ik ben, mens, wanneer ik de mens in de anderen ha?
Het late feit van mensen zijn, van mijn mens zijn, zou een altijd durende vreugde en genot moeten zijn. Vreugde scheppe in dat waartoe ik door mijn schepper ben gemaakt, is mijn hart te openen om door mijn verlosser te worden hersteld. Het is het proeven van de eerstelingen van verlossing en herstel. Zo puur is de vreugde om mens te zijn, dat degenen die niet zoveel van het christendom begrijpen, zouden kunnen denken dat dit de vreugde is om iemand anders te zijn dan mens, een engel of zoiets.
Men Gud er ikke engel, han blev mens.
Dat vergeten wij nog wel eens hè?
Ja, en dat betekent ook dat het goddelijke en het menselijke dus dicht bij elkaar kunnen liggen. En dat wij als mensen... Ook moeten proberen om te worden als God. In de middeleeuwen gebruikt we de term kapax D'voor. Wij zijn in feite in staat te worden als God. Maar dat betekent dat wij ons eigenlijk moeten conformeren aan datgene waartoe wij geschapen zijn.
Het is in dat opzicht een concept dat al heel oud is binnen het christendom. Het feit dat wij als mens in staat zijn om te worden als God. En je moet dan niet denken dat je zelf God wordt, want dat is net niet het geval. Wel dat je die uiting daaraan kunt geven om ook anderen te laten zien hoe God kan zijn.
Yeah.
royaal. Koninklijk is eigenlijk royaal zijn. Priesterlijk zijn door te bidden, profetisch te zijn, door te laten horen hoe hij in jou leeft. Dus de laatste zinnen die Meurten uitgesproken heeft, vlak voor zijn dood, zijn een zuster. Maar die zegt, we moeten misschien, die heeft ze geklaagd over het feit dat hij te weinig over missie gesproken heeft, over zending gesproken heeft.
Dan zegt hij.
Misschien is het veel belangrijker om God te laten leven in onszelf, zodat anderen zien hoe Hij leeft in ons.
Is dat wat je misschien zou noemen het feit dat Christus gestald in ons krijgt?
Ja, en ook het besef dat Christus in anderen dus aanwezig is. We kunnen allemaal een nieuwe Christus worden. Het is een uitspraak van Arostine. We hadden ooit een Meurtenweekend en een van de Noortijn die ons het hele weekend meemaakte, zou de arrestie vieren op zondag en we daarin voorgaan. En die deelde aan iedereen en ook aan mij dus de communie uit met het idee word wat je bent, het lichaam van Christus.
En op de een of andere manier kwam dat ontzettend bij mij binnen. We zijn allemaal bedoeld om als lichaam van Christus hier in deze wereld te zijn. En ook te erkennen dat de Ander het lichaam van Christus is en kan zijn. Op die manier moeten we hem ook ontvangen. Die woorden van Jezus van. Wat je aan de minste van mij gedaan hebt, heb je aan mij gedaan. Doelen daar natuurlijk op.
¶ Tragische Kuisheid en Diepe Liefde
Dan over die tragische kuisheid.
Ja, de tragische kuisheid, schrijft hij, die zich plotseling realiseert dat ze louter verlies is en bang is dat de dood heeft gewonnen. Dat je steriel bent, nutteloos, verachtelijk. Ik zeg niet dat dit mijn deel is, maar in mijn gelofte kan ik dit zien als een steeds aanwezige mogelijkheid. Gelofte doen betekent worden blootgesteld aan deze mogelijkheid. Het is het risico dat je moet nemen bij het zoeken naar de andere mogelijkheid, de openbaring van de troostig aan het zuivere hart.
Ja, maar dan is er steeds gerealiseerd, denk ik, zoals waarschijnlijk veel mensen die celibatair leven, omdat ze die gelofte gedaan hebben, dat ze daardoor ook iets missen. Ze zullen de intimiteit van iemand met wie ze samenleven missen. Ze zullen mogelijk kinderen missen die ze krijgen en een genot kunnen zijn voor een ouderdom. Het jaar hierna hopeloos verliefd wordt.
Ja, dat duidelijk op. Dan vraag ik dit stukje om dat... Dan lijkt er iets in balans te komen bij.
Ja, die verliefdheid bij die verpleegstergift. Hij zegt ook ergens in zijn dagboek: ik heb me nooit kunnen realiseren dat iemand zo van mij zou kunnen houden. Omdat die verliefdheid te wederzijds was. Je zou kunnen zeggen dat Meurten een wat aparte relatie met vrouwen heeft in zijn leven. Zijn moeder is natuurlijk heel jong gestorven. Er is eigenlijk geen persoon voor in de plaats gekomen. Zijn pa heeft een relatie gehad waar.
Thomas afschuwelijk. Die vrouw heeft hij echt weggepest, bij zo spreken. Hij heeft een oma gehad met wie hij echt een affectieve relatie had. Maar dat is ook maar een bepaalde periode van zijn jeugd geweest. Toen ging hij ook dood. Dus in zijn jeugd, in het jaar in Cambridge, heeft hij de ene vriendin naar de andere gehad. Dat waren geen ervaringen die diep gehand waren. En als je daarop terugblikt, terwijl ze die verliesheid met M heeft, met Margi zoals hij eigenlijk heet.
Dan realiseert hij zich eigenlijk dat hij eigenlijk nooit een echte goede relatie met een vrouw gehad heeft. En wat dat voor een verrijking had kunnen betekenen. Want dit schrijft hij wat ik net gelezen heb, dus voor die ervaring. En na afloop van die ervaring, als je erop terugkijkt, en dan zichzelf verwijder maken van hoe heb ik zo dom kunnen zijn om te denken dat ik mijn klooster zijn, mijn monastiek zijn had kunnen combineren met zo'n.
Dat zegt hij zelf ook. Zij vraagt op een gegeven moment: zullen wij samen verder gaan? En zei: Ik wil mijn gelofte als kloostering, want dat zit zo diep in mij, wil ik niet loslaten. Toen er allerlei wanhoopere pogingen om daar een vorm in te vinden. En dan wordt opeens ontdekt dat hij telefoongesprekken met iemand voert door een van de manniken. En dat wordt aan de ap doorgebrief. En dan gaat hij zelf naar die apt en om dat te zeggen dat hij...
Dat dat gebeurd is en dat hij dat af gaat ronden. Nou, dat gebeurt dan ook formeel. Maar ze hebben daarna die tijd ook nog wel telefoongesprekken. Maar de pijn die het heeft opgeleverd voor hem is gigantisch. Hij schrijft op een gegeven moment in een van zijn gedichten dat aan haar gewijd is, wij leven op twee halve werelden aan de overkant van elkaar. Als twee halve mensen op twee verschillende continenten. Die verscheurdheid die het oplevert om dit los te moeten laten.
Dus dat stukje wat we net lazen, wordt veel sterker gevoeld als groot probleem daarna. Maar achteraf zei hij ook, ik ben dankbaar ervoor dat ik het beleefd heb. Hoe moeilijk het ook was. Want het heeft mijn leven ook weer verrijkt. Want seksualiteit werd met name binnen, nou misschien in de 19e en 20ste eeuw was men erg preuts. En binnen de Trappisten hoorde ongetwijfeld ook. Maar als je gaat kijken naar de vroegste teksten van Cesociensus in de twaalfde eeuw.
Die hebben bijvoorbeeld heel veel commentaren op het hooglied geschreven waarin die seksuele toon van het hooglied, die dat toch heel duidelijk inzit, van verlangen, et cetera, heel positief gelabeld wordt. Het is dit soort verlangen van naar hechting aan iemand anders dat we ook kunnen gebruiken voor ons verlangen aan hechten aan God. Dus het wordt wel omgezet in een religieuze context. Maar die erotiek die erin zit, wordt positief gelabeld.
Zover moet het gaan. Het moet echt helemaal vanuit de diepte komen. En je moet ook in die diepte zoeken. En als hij dus die ervaring heeft gehad van die verliefdheid die uiteindelijk niet op een relatie uitloopt. Is hij aan de ene kant dus heel dankbaar dat hij dat beleefd heeft, hoe pijnlijk dat ook is. Aan de andere kant sterkt dat ook weer zijn. Dan heb ik dus de goede keuzes gemaakt door het klooster in te gaan en te zoeken naar de verdieping op zoek naar Christus.
¶ De Dood als Poort tot Groei
Een stukje verder, Abatton Rompu noemt hij dit zelf. Een hak op de tak, maar dat doe ik ook graag. 6 oktober staat: Ik ben geroep om te groeien.
Ik ben hier roepen om te groeien. Dood is een essentieel punt van groei. Een overgang naar een nieuwe wijze van bestaan, naar een rijpheid en vruchtbaarheid die ik niet ken. Deze zijn in Christus en in zijn Koninkrijk. Het kind in de baarmoeder weet niet wat er zal komen na de geboorte. U moet geboren worden om te kunnen leven. Ik ben hier om de dood onder ogen te zien als mijn geboorte.
Die eenzaamheid, een toevluchtsoort onder zijn vleugels, een plek om mezelf te verbergen in zijn naam en dus een heiligdom waar de genade van de doop een bewuste, levende, actieve realiteit blijft. Niet alleen geldig voor mij, maar voor de hele kerk. Hier, geplant als een zaadje in de kosmos, zal ik een Christuszaadje zijn en vrucht voortbrengen voor anderen, dood en vrijzenis in Christus.
Ik heb deze term al eens gehoord. Bij Lilië Strootter komt hij dacht ik vandaan, een zendelingen vanuit begin 20e eeuw dacht ik, Noord-Afrika. De dood als een poort tot het leven.
Nou, het is ook in de middeleeuwse 66 kringen. Ik heb ergens bij een van die Cessiciëne vaders geweest. Een mens wordt drie keer geboren. De eerste keer uit de moederschoten, de tweede keer uit het doodwater en de derde keer voor de eeuwigheid. Het zijn steeds overgangssituaties waarin er wezenlijke dingen veranderen. Die daarna het volgende stadium inleiden. En over die laatste, die derde geboorte kunnen we in feite dus nauwelijks iets zeggen. Ik bedoel dat.
Ligt verborgen in. Vroeger zeiden ze schot en goden, maar de schot van God. En hoe dat zal zijn. Maar het besef dat het een overgang is. Ik heb een manneke zundert die op zijn sterfbed echt... Verlangde. Ah, nu ga ik direct de ware werkelijkheid in.
Zo had ik een vriendin gehad die vlangde enorm in de hospice om naar Jezus te gaan. En het verlangen was er enorm. Dat geeft een soort blijdschap.
Ja, het geeft een beleidschap en een overtuiging dat wat je nu doet ook zin heeft in dat licht. En dat is denk ik het troossende eraan. Het troosde eraan dat Boel, wat ik vaak heel triest vind is dat mensen die op een gegeven moment richting de dood gaan nog een bucketlist opstellen van dingen die ze nog allemaal willen doen. Ja, ik heb één keer een periode meegemaakt, gelukkig door een valse diagnose, dat ik dacht dat ik nog maar korter leven had. Achteraf bleek dat die diagnose verkeerd was.
En ik ben achteraf heel dankbaar geweest dat ik toen het idee had van, maar ik hoef niet allerlei dingen nu nog te doen. Als ik nu doodga, is dat tot hier toe. Nou ja, heb ik een mooi leven gedaan. Ik vind het jammer dat ik ga, maar. Ik heb geen spijt. Achteraf heb ik dat heel positief geleverd, omdat het betekent dat ik blijkbaar tot dat moment goede keuzes gemaakt had voor mezelf.
Misschien herinner je dat het gedichtje wat je net in het voorgesprek zei over het doodgaan.
Ja, dat is een gedichtje uit Twente. In Trente, als iemand doodgaat, zeg ze hij, ik zeg het ongetwijfeld verkeerd, is het tijd gekomen, als ik het in het Nederlands zeg. En uit de tijd gekomen betekent dat je vanuit het perspectief van al na de dood kijkt. En is het gedicht dat Willem Wilming op schrift heeft gezet als een vierregelijk gedichtje: in Nederland is iemand doodgegaan, van hem werd nooit meer iets vernomen. In Twente is hij uit de tijd gekomen. Dan weet je, hij is veilig aangekomen.
En dat is ook het momentum mooie, het nadenken over het feit dat je gaat overlijden. Dat is iets wat Monnik ook steeds wordt voorgehouden om daar regelmatig bij stil te staan. Niet zozeer waar het vaak voor gebruikt wordt als een soort angstbeeld of zo, helemaal niet. Nee, het feit dat ditgene wat je hier doet, dit sommigen Aardse tranendal noemen, en als je ziet wat er in Gaza en andere plekken in de wereld gebruikt, kan je je alles bij voorstellen.
Maar datgene wat we hier doen hoort bij ons leven, maar is een deel ervan.
Ik moet ook denken aan wat voor mij altijd een heel vertrozen stuk is, is de verheerlijing op de berg. Dat Jezus daar met Elia en Mozes staat. Ik denk ja, die werkelijkheid is er. Alleen die merken wij nog niet zo, wel op een bepaalde wijze. Maar die is er wel. Ik heb soms het idee in het Westen dat wij zonder die werkelijkheid proberen te leven.
Ja, dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ze vooral op zoek zijn naar die schaduw van die illusie die we zelf denken te zijn. En of het je dan gegeven wordt om een keer de bovenkant van het beduur, zoals wij normaal alleen maar de onderkant zien te zien. Ja, dat is een kwestie van: het wordt je gegeven, wordt je niet gegeven. Meurten heeft dat twee, drie keer zijn leven meegemaakt.
En dat heeft voor hem heel belangrijke richtingwijzers gegeven dat hij het voort moest gaan waar hij dat moment mee bezig was.
¶ Het Gewonde Hert: Een Gebed
Een van de roepingen is, hij was gebed. Voor mij is dat gebed, wat ik hier lees, op 13 november, dus een bladzij verder, over het hert. Dat vind ik, het ontroeert me enorm. Omdat ik denk van ja, dit is. Dit is zonder het een gebed te noemen een gebed.
13 november 1965. Hij woont dan trouwens net permanent in zijn kluis. Toen ik vanmorgen de priembad onder de dennen voor de kluis zag ik een gewond hert langs het veld strompelen met een mankerpoot. Ik werd er heel verdrietig van en begon bitter te huilen. Toen gebeurde er iets heel uitzonderlijks. Ik vergeet nooit dat ik daar stond te huilen en keek naar het dier dat daar nog steeds een lange tijd, een minuut of zo, naar mij stond te kijken, vragen.
Het hert liep weg zonder een teken van ongemak.
Ik heb bijgezet eigenlijk dat uit de Romeinen achter de schepping, rijkhalsend, met rijkhalsend verlangen uitzien naar het openbaar worden van zijn zon of God. Ik proef hier ook iets, dat gebed en dat je zo. Wat is gebed eigenlijk, hè, denk ik dan?
Op het moment dat je dat in woorden probeert te vangen, wordt het al lastig natuurlijk.
Hij vangt het hier in woorden die eigenlijk... Niet zeg zo moet je bidden, maar het overkomt hem ook op het moment dat hij zelf met de primus in gewedstheid bezig is.
Ja, primus de vroege ochtend eigenlijk bij dageraad is dat een gebed dat eigenlijk dan seriepsalmen die dan gebeden of gezongen worden. Hij bid dan die priem en ziet dat. En op de een of andere manier versmelt dat eigenlijk met elkaar. En het is wat ik straks zei: het open zijn. Het openstaan. Wat in Abdoulaziz zegt, ik sta open voor God. In zo'n kluis waar je natuurlijk alle natuurbewegingen meemaakt, daarin voelde zichzelf ook erg bevoorrecht.
Volgens mij laatst het straks dat stukje dat die monniken die onder de TL-buizen dat in het kerk zitten te doen. Ze hebben die boeken voor zich en ik doe dat hier in de vrije natuur.
¶ Absolute Armoede, Volheid van Genade
23 mei 68 is dat het zelfbeeld dat hij daarvan zichzelf geeft. Je mag het lezen hoor, in onze kloosters daar dat stuk.
Zelf bijvoorbeeld besef ik dat ik nu meer nodig heb. Niet alleen maar stilzijn, wat werken, bidden, lezen, vrije tijd cultiveren, otium sanctum. Er is behoefte aan inzet, verdieping, verandering, transformatie. Niet dat ik een speciaal project moet starten van zelftransformatie of dat ik aan mezelf moet werken. In dat opzicht zou het beter zijn het te vergeten. Gewoon wandelingen maken, in vrede leven, de verandering rustig en onzichtbaar aan de binnenkant laten ontstaan.
Maar ik heb een verleden waarmee ik moet breken. Een opeenstapeling van loomheid, verkwisting, onrecht, dwaasheid, verrotting, troep en een grote behoefte aan verheldering van aandacht, of eerder van geen aandacht. Terugkeren naar de echte praktijk, de juiste inspanning, de behoefte om door te gaan tot aan de grote twijfel. Behoefte aan de geest. Houd vast aan het heldere licht. Wat is dit mooi? Ik realiseer me nu pas nu dat ze het is.
Steeds weer terugnemen de formulering die je net gebruikt hebt. En daardoor nog meer openheid brengen. Hij wil meer aandacht en dan zegt hij. Of eigenlijk geen aandacht. Aandacht betekent weer dat ik bezig ben. Het is het laten gebeuren. God aan je laten gebeuren. Misschien kun je dat wel als definitie van gebed zien. God aan je laten gebeuren.
Pak er nog één, 361. Ik ben absoluut armoede dit stukje. Hetzelfde wat je nu overkomt. Overkwam ook je leeststukken. Je leest nog een keer en nog een keer. Het verrijkt wel enorm deze dingen. Terwijl ik met bepaalde dingen van hem zeker moeite heb. Maar goed, dat blijf ik houden.
Ja, sommige dingen is je ook redelijk onuitstaanbaar hoor. Ik weet dat de apt van Koningshoeven Dom bij Narders die nu generaal apt is. Een keer zei als ik Meurten, die zo ontzettend veel klaarde over de herrie in zijn gebouw, ik had hem eens afzeker gezegd: jij eet er wel iedere dag van hoor. Soms is hij erg onredelijk. Hij kan heel. Heel resoluut en ook absoluut dingen formuleren. Ik ben het absolute armoede van God, zet hij. Ik ben zijn leegte, kleinheid, nietigheid, verlorenheid.
Wanneer dit wordt begrepen, mijn leven in zijn vrijheid, is de zelfontledering van God in mij de volheid van genade. Een liefde voor God die geen reden kent omdat Hij de volheid van genade is. Een liefde voor God die geen reden kent omdat Hij God is, een mateloze liefde, en liefde voor God als persoonlijk. Liefde voor allen, haat voor niemand is de vrucht en de uiting van de liefde voor God. vrede en voldoening Wereldsplezier vergeten. Onbaatzuchtigheid in de liefde voor God.
Elke hartstocht en emotie binnenleiden in de liefde van God.
Is dat wat Eckhart die favoriet van hem was, dacht ik.
Ja, ik denk dat dat heel dichterbij komt. Zelf wegcijferen en de verlangens die je zelf nog hebt, die je ego nog heeft, loslaten. Om dan heel dicht bij die kaalheid te komen, bij die leegte te komen. Dat is misschien toch wel een boeddhistisch beeld waar het absolute als lechtere zooneerd wordt. Ligt omdat daar alles in zit. Het is een volheid. Het is niet een nihilisme ofzo.
Zoals het daar wordt opgevat. En wij gaan op in het licht van de Heer. Als wij sterven, tenminste, dat hopen wij dat we daar. Wandelen in het licht. Er zijn allemaal formuleringen voorgevonden die ook niet kunnen uitdrukken wat dan gebeurt. Want niemand heeft dat er tot nu toe meegemaakt.
Als je naar het oog liet gaan, dan is het een verlangen. Een enorm verlangen waarvan een andere persoon die mij geschapen heeft ook nog een keer. Toch naar mij als zijn schep zo verlangt.
Ja, dat verlangen is heel essentieel. Het verlangen is niet alleen in het hooglid heel essentieel. Het verlangen is in de hele sociënle traditie waar de trapisten onder horen heel essentieel. Er is één term, een Latijnse term die heel veel gebruikt, affectio. Wij kunnen dat ons woord affectie is daar natuurlijk van afgeleid. Dat kun je vertalen met hechting, maar het is veel meer het gevoels van verlangen. Inmiddels de milanget naar die. Het is de intentie naar de ander toe.
Daar gaat het eigenlijk over. En dat is in feite ook de intentie van liefde. Meurtenef met zijn novice een keer probeert een definitie van liefde te geven. Hij zei: Proberen we alles eronder te vatten. Liede voor God, liefde voor. Alles eronder te vatten. En ze komen uiteindelijk tot een definitie. Liefde is een kracht die streeft naar één wording. En dat is een. Dat vond ik een hele mooie formulering. Ik heb nooit zo ergens anders gelezen.
Het is heel mooi dat hij dat samen met zijn novicen opbouwt, zoiets. Want zij brengen ook allemaal hun eigen ervaringen binnen. Zij zijn om een bepaalde reden dat klooster ingegaan. Ook aan een soort verlangen. En wat is het dan?
En is Willy Earlings en met hem was in gesprek op basis van het boek Mens achter de Monnik, een Leven in Dagboeken. Thomas Merten. En het is een boek uitgegeven bij uitgever Daaman in Engels.
