¶ De Stille Sneeuw Bedekt de Wereld
Een wit kleed bedekt de wereld, zelfs de nacht lijkt opgelicht. Vage lichtreflecties van een straatlantaren breken mijn ogen achter het raam. Traag verlegt zich mijn blik naar de straat. Een auto rijdt langzaam voorbij, een vage afdruk van sporen zichtbaar.
¶ Innerlijke Vragen en Goddelijke Warmte
Met de flokken daalt de stilte neer. Hoe kan God die stilte in mijn hart doen dalen, waar zijn voetstappen zichtbaar zullen zijn, langzaam bedekt door de stille sneeuw, verlangen van een nieuwe eeuw. Vanuit de warmte is de sneeuw fascinerend. Kniehoog ploederend gaat een man vooruit. Het zicht niet meer dan knipperende ogen, de koud het op het bot trotsserend. Zijn sporen worden snel gewist, een klop op een houten deur die knarsend open gaat. Het houtvuur verspreidt een ijke geur.
Hij is warmer dan het warmste vuur. Hij verlicht de donkerste nacht, zelfs de zon verbleekt en trekt zich terug. De stilte valt als een adem neer. Gedachten spoelen rond mijn hoofd, zwevend door een rumoerig vacuum, af en toe een anker uitwerpend, van alle logica beroofd. Een beeld verschijnt in al die flarden, verstrooit vanuit een diffuus licht, een prisma van onvermoede kleuren, een regenboog verschijnt.
Wezens op mensen gelijkend treden los door kleuren heen, ogen naar binnen gericht, zien een eeuwigheid verschijnen. Buiten valt de sneeuw geduldig neer. Opgevangen in eeuwige handen, dadelijk af in mijn stilte. Opgevangen door zijn eeuwige handen.
