¶ Inleiding tot Cusanus en De Docta Ignorantia
Ik ga in gesprek met Gert aan Hartog. En er ligt een boek voor me uitgegeven bij Uitgeveret Daaman in Eindhoven en het boek heet... Cusanus. Of de Cusa is het eigenlijk. Cusanus, een Latijnse naam. En dan gaat het over de wetende onwetendheid. En met zo'n artikel denk ik al meteen van jongens, waar gaan we heen? Want ik heb het gelezen, hij is breedvoerig, mag ik dat zeggen.
En ik heb dan zoiets. En die moet me commentaar geven. Ik heb twee dingen. Eén is het. Ik moet denken aan de Christushimne, heel sterk, van waar hij heen gaat in zijn derde boek. In hem, door hem en voor hem is alles verschapen. Hij zou alles weer met zich verzoenen, wat hem hemel en op aarde is. Of misschien beter als ik het stukje even voorlees.
Of een Christus.
Hij is het beeld van een onzichtbare God, de eerstgeboren van heel de schepping, want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, tronen, heerschappijen, overheden of machten. Alle dingen zijn door hem en voor hem geschapen.
En hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan er samen door hem. En Hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente. Hij die het begin is, de eerst geboren uit de doden, omdat Hij een allende eerste zou zijn. Want het heeft de vader behaag. Dat in Hem heel de volheid wonen zou. En dat Hij door Hem alle dingen met zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van zijn kruis, ja, door Hem, zowel de dingen die op de aarde zijn, als de dingen die de hemel zijn.
O segundo ponto é... Ik maak deze gedachte wel eens. Je pelt een ui af en hoe dichter je naar de kern gaat, hoe kleiner het wordt. Maar ook dat kleinheid, daar zit een eeuwigheid in. Daar raak je niet aan het einde. De andere kant op ook niet het grootste. Dus die twee dingen wil ik maar voor je voeten gooien. En mag jij een commentaar geven wat ik net gezegd heb.
¶ Colossenzen 1: Het Kusaans Credo
Nou ja, ik denk dat je inderdaad direct doorstoot naar de kern. Colossens 1 noem ik zelf het Kuzaanse credo. Van 9 tot 11 februari is er in Deventer een Kousanenscongres. En op 11 februari, zondag is er dus een viering, een dienst in de Lebuinskerk, waarin ik zelf hoop voor te gaan. En dan gaat het ook over colossenen, over dat gedeelte. Koezanus heeft.
Eigenlijk geen echt theologische werk geschreven. Behalve één exegetische studie over Colossense 1. En dat is toch wel tekenend hoe belangrijk die tekst voor de mas. En ook in diverse van zijn werken komt die tekst steeds weer terug. Omdat hij dus ook inderdaad uiteindelijk tot de conclusie komt van je kunt God niet kennen dan door Christus. En als wij al iets willen weten, iets willen kennen van God, dan kunnen we niet om Christus heen.
Ik vind het apart. Want ik ben hier al een behoorlijke tijd mee bezig. Om dit me behoorlijk bezighoudt, het Colossens 1. Dus dit spreekt mij wel aan. Maar aan het andere punt van. Als we in hem geschapen zijn en door hem en voor hem. En ik ga naar de eeuwigheid toe. Ik ga naar het beperkte van ons denken toe. Dat botst meteen al, want ik kan me hier nauwelijks een voorstelling mee maken. Ik kan het verwondering raken, maar verder nou ik niet.
¶ Cusanus: Bruggenbouwer Tussen Tijdperken
Ik denk dat Cuzanus dat ook had. Hij stond natuurlijk op het breukvlak van de middeleeuwen en de renaissance. Door Velen wordt hij de eerste moderne filosoof genoemd. Zelf vergelijk ik met Bach. Bach was natuurlijk het hoogtepunt en het eindpunt van de Barok. En die zette als het ware een gigantische accolade achter de traditie waar hij uit voorkwam. En die verwerkte hij in zijn muziek.
Kousanus die staat natuurlijk enerzijds aan het eind van de scholastieke traditie. Die kende hij door en door. Hij had er alles van gelezen. Hij citeert om de haverklap Thomas van Aquina Bonaventura, noem maar op. En zonder dat hij zelf een scholasticus is, hij heeft het allemaal verwerkt. Het is allemaal door hem heen gegaan. Maar tegelijkertijd beseft hij daar.
Daar komen we er niet mee. En de scholistiek legt natuurlijk heel veel nadruk op de rationaliteit, op het denken, op het menselijk verstand. En dat doet Kousanus enerzijds ook en tegelijkertijd relativeert hij juist dat menselijk verstand. En dan komt hij dus uiteindelijk tegen bij de negatieve theologie, bij Pseuder Dionysies, Areopagita, Meister Eckhart enzovoort.
En hij beseft dus van nou ja, op het moment dat je al die kennis vergaard hebt, dan kom je tot de slots om, daarmee kom je er niet, je moet stil worden.
Dan heb je het over een relatie inwezen.
Ja, Koezanus was de man van de relaties. Geen Ivoren torengeleerde. Geen man die zich opsloot in het stille studeervertrek, maar zelf ook heel erg mensenmens was. communicatie zocht en al zijn boeken eigenlijk die ademen die sfeer van het in relatietreden tot de mens en in relatietreden tot God.
¶ Gerts Persoonlijke Ontdekking van Cusanus
En het predikant, hoe ben je nou met Cousanis in aanraking gekomen? Want ik denk dat daar ook misschien wel de grondslag ligt voor dit vertaalwerken.
Nou, dat is een heel grappig verhaal. Ik ben in de jaren 90 bezig gegaan met mijn promotie. Promotiestudie. En dat ging over de voorzienigheid, in het bijzonder bij Zagrius en Zines. En toen bestelde ik een boek bij een antiquariaat, de Tille in Leeuwarden, ik weet het nog goed. Dat boek werd mij toegestuurd. Maar het was het verkeerde boek. Dus ik belde antequer op. Ik zeg, nou ja, dat boek wat u mij toestuurde, dat was niet wat ik besteld had.
Hij verexcuseerde zich en zegt, nou ik zal dan het goede boek alsnog toesturen. Dus ik vroeg, ja, en wat moet ik met dat andere? Hij zegt, nou dat mag je wel houden. En dat was dus... Het werk van Koezanhoes waar ik tot dan toen nog nooit van gehoord had. Dus ik ging mij erin verdiepen. En ik dacht van, jongen, dat spreekt mij toch wel aan. Ik ben enerzijds van huisuit heel degelijk gereformeerd.
Maar ja, het mystieke, dat heb ik altijd toch op de een of andere manier heel aantrekkelijk gevonden. Wat Kousanus zei, wat hij betoogde voor zwerk het op dat moment menende te begrijpen, dat komt eigenlijk overeen met zoals ik ook naar dingen keek. Dus er was een soort verwantschap van het eerste moment. Toen dacht ik, nou er zal vast wel een vertaling zijn. Dus ik ging op zoek en het kwam erachter dat die vertaling er dus niet was. Althans geen Nederlandse. En toen...
Vat ik al het stoutmoedige plan op van, als ik nog eens een keer tijd heb, dan ga ik dat boek vertalen. Nou ja, het bleef toen jaren op de plank liggen. En toen in 2020, toen zocht ik een project. In het kader van de verplichte studiepunten die een predikant moet halen. En toen dacht ik, weet je wat, laat ik eens proberen of ik nu een begin met die vertaling kan maken. Een maand later kwam corona en toen kreeg ik ongedacht opeens heel veel tijd. En daardoor kon ik het project ook voltooien.
¶ De Grens van Menselijk Denken en Wiskunde
Wat ik verfrissend vond vooral is de manier waarop hij... Hoe geleerd ook, alle kennis uiteindelijk relativeert. En dan op een heel bescheiden manier uiteindelijk zegt van ja jongens... We moeten niet denken dat we het allemaal weten dat we het kunnen beredeneren. We moeten realiseren dat... er een grens is aan ons denken. En hij gebruikt dan diverse keren trouwens de metafoor van het vierkant en de cirkel.
Je kunt een oneindig aantal vierkanten in een cirkel intekenen en op het laatst is het verschil tussen de vierkanten en de cirkel bijna niet meer waarneembaar. Maar er zal nooit een moment komen dat de vierkant met de cirkel gaat samenvallen. Dus wij kunnen als mens heel erg ver komen in ons redeneren, maar uiteindelijk echt grip krijgen op God, op het hogere, op die andere dimensie. Dat kunnen we niet.
Hij doet me denken aan een ander boekje wat ik ken. Flatland of platland is in eind 19e eeuw in het Nederlands verschenen, dacht ik, ook door een wiskundige geschreven, of wiskundige geschreven, laat ik het zo zeggen. Van tweedimensionale wezens die dan... Je kunt niet in contact komen met die derde dimensie. En dan he.
Nou, ik heb hetzelfde boekje ook een aantal keren geciteerd in artikelen over Kousanus. Dus ik denk dat het klopt. En Kousanus, dat vind ik altijd opmerkelijk, was natuurlijk ook zelf een groot wiskundige. Dertien wiskundige traktaten geschreven. Volgens de mensen die het kennen en weten kunnen, staat hij aan de wieg van de infinitisse maalrekening, als ik het goed uitspreek. Voorlopen van Leipzig.
aan de basis van de moderne verzamelingen-theorie. En heeft zich intensief bezig gehouden met de kwadratuur van de cirkel. Bij hem is dus de wiskundige theologie, ofwel de theologische wiskunde, hoe je het wil zeggen, is bij hem heel nadrukkelijk aanwezig. En daarin treed hij in de voetsporen van de school van Chartres uit de 13e eeuw.
Waar de aanzetten daarvoor al gegeven waren. En hij denkt dus van ja, goed, op een gegeven moment hebben we geen taal meer om iets over God te zeggen. Maar we hebben wel symbolen waarmee we misschien verder kunnen. En dan neemt hij dus zijn toevlucht tot die wiskunde.
¶ God als Oneindige Bol en Taaltekort
Dan zie je ook dat hij bijvoorbeeld spreekt over God als de oneindige bol, wiens middelpunt nergens en wiens omtrek overal is.
I have to think about Stephen Hawking. I don't know why.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik Stephen Hawking niet zo goed ken, maar... Ja, die kwam natuurlijk vanuit zijn perspectief tot de slots, omdat er geen god kon zijn. En Kozams komt juist vanuit dezelfde achtergrond tot de slots, omdat god er wel moet zijn.
Ja, maar ik bedoel ook de notie om alles in één formule te willen samenvatten.
Ja, de theorie van het al, zal ik maar zeggen. Misschien dat Koesanus daar onbewust ook op zoek was.
Want hoe gaat hij met die wiskundige, want hij heeft het ook over een driehoek, hij gaat naar de drie eenheid toe. Ja, het is bijna plat wat ik hier zeg nu.
Ja, Koezarus heeft natuurlijk zijn leven lang geworsteld met de vraag van hoe geef ik uitdrukking aan God. En dan komt hij ook met die merkwaardige neologismen, possest en samen trekking van possen en essen. Kunnen en zijn. Bij God vallen kunnen en zijn samen. Dus het onderscheid dat Aristoteles dan maakte tussen de potentie en de act, het vermogen en de werkelijkheid. Dat onderscheid brengt Koezanus juist weer samen, dat Balt hij in één formule. God als Li non aliut, het volstrekt niet anderen.
Je voelt die worsteling ook in zijn taal. Het maakt het ook lastig om te vertalen dat je het formuleert. Terwijl hij schrijft zijn gedachten en hij schrijft aldenkend en dat levert soms enorme lange zin op waarin je die gedachtenkronkels moet zien te volgen. En dat is niet altijd even makkelijk.
Want hij gebruikt ook de driehoek als uitgangspunt.
Dat was natuurlijk een klassiek symbool, al door Pythagoras, waar hij zich ook al beroept. Pythagoras had al de driehoek beschreven, het getal drie als een mystiek nummer. En Kousanus gaat er dan daarop door. En hij gaat dan zover dat hij zelf zegt, ja uiteindelijk... Valt ook alles samen. De driehoek en de bol en de cirkel, het is allemaal één grote lijn. In de oneindigheid dan komt dat allemaal bij elkaar.
Ja, Koezanus zegt dus van nou, wij mensen maken onderscheid tussen cirkels, driehoeken, lijnen enzover. Als je nou bijvoorbeeld een kromme lijn hebt. En als je een cirkel hebt, die heeft een kromme lijn. Maar als je nou die lijn oneindig gaat uittrekken, dan wordt die lijn op een gegeven moment vanzelf recht. En dat is met een driehoek ook het geval. Dus dan komt hij er uiteindelijk op uit dat hij zegt van alle figuren die mensen construeren, die vallen in de eeuwigheid samen.
En wordt het één grote oneindige lijn. En zo probeert hij de mensen mee te nemen in zijn gedachten. Over God. En zeg, kijk, die figuur die vormen we in ons hoofd. Dat zijn dus geestelijke concepten. En nu moet je proberen, het is een soort gedachte-exercitie, om datgene wat jij in je hoofd... Toe te passen op God. Daar een metafysica van te maken.
Zit ik er ver vanaf als ik dan zeg dat God een grote ik ben is. En wij de kleine ik benetjes. Ja, ik zeg het een beetje gek. Ik ben omdat God een grote ik ben is.
Ja, dat is natuurlijk ook het denken van die mistici in de lijn van meister Eckhart. Meister Eckhart zei ook, de mensen zijn zonder God zijn ze niets. En dan accentueert hij ook in een van zijn prekens, dan zegt hij echt een louter niets. En op die lijn zit Kousanus ook. Hij zegt: we zijn eigenlijk volkomen afhankelijk van God in alles. We moeten niet denken dat we iets zonder God kunnen. Ook al beelden veel mensen zich dat wat in, maar uiteindelijk.
Hebben wij zelf niets in te brengen. We zijn volgenskomen afhankelijk in alles van God. En dat is dan ook die mystieke component in zijn denken van uiteindelijk moeten we terug tot God.
Terwijl niet los van God kunnen leven.
Nee, inderdaad. En dat is ook, hij hebben ze natuurlijk in zijn hele denk ik heel sterk door het neoplatonisme beïnvloed. De emanatiegedachte van de mens die komt uit God. Zoals het dan... Op een christelijke manier geformuleerd wordt. De mens komt voort uit God en de mensen moeten dan streven weer tot God terug te keren. En het is Jezus, om dan weer weer even bij Jezus terug te komen. Het is Jezus die ons leert hoe we die weg moeten gaan.
¶ Bevestigende en Negatieve Theologie
Er is een hele positieve manier om God te benaderen, maar ook een hele negatieve manier. Die twee machinaars elkaar zijn. Want daar kan heel makkelijk verwarring over ontstaan. Maar ook. Je kunt het negatief. Nee, leg er iets maar uit.
Je kunt dus enerzijds zegt Kousanus van alles over God zeggen. En een heleboel eigenschappen aan hem toe schrijven, al die attributen die natuurlijk in de scholistiek geformuleerd waren. En die neemt hij ook over. Maar tegelijkertijd, ja, dat is de bevestigende theologie. Maar tegelijkertijd is er dan de negatieve theologie. Wat ik al zei, in de lijn van Psyuder Dionitius Ariopagita, maar is de Eckhard van.
Uiteindelijk moet je over God zwijgen. En je kunt niet zeggen wat hij wel is, maar je kunt wel zeggen wat hij niet is.
Maar goed, ik heb pseudo-Dionys, de Arapagieten een aantal dingen gelezen, maar hij begint toch met het kennen van God in Christus. En tegelijkertijd, als je tot het kennen komt, dan besef je van oeps, ken ik het wel.
Nou, dat is ook precies wat Koezanus van Zuid-Weniernuities overneemt. Hij citeert hem ook dikwijls en expliciet. Hij had hem ook in de kast staan, dus hij had daar degen kennis van hem genomen. En hij citeert hem ook met grote instemming. Maar dan bij Pseudon Dionysius. Kom je ook al die neologismen tegen? Dan voel je daar ook weer het tekort van de taal. We zoeken naar woorden, maar eigenlijk weten we niet goed welke woorden we moeten gebruiken.
Dus je kunt op een gegeven moment wel zeggen van ja, het kennen van God. wordt steeds duidelijker een niet kennen, een besef van het niet kennen, de wolk van het niet weten.
Is dit ook een vorm van weten?
Voor Koezano zeker, ja, absoluut. Aan de basis van het weten ligt het geloof, het geloat aan het weten vooraf.
Maar het net even over... Tegenwoordig zeker. Wil men een bewijs hebben, een soort godsbewijs hebben. Sommigen zijn dat kunnen niet bewijzen, zij is er niet. Koersanis komt tot een andere conclusie. Hoe komt hij tot de conclusie dat er toch een God is?
Twee dingen. Ten eerste gaat hij al vrij snel over tot het citeren van het godsbewijs van Anselmes. God is. Ja, datgene waarboven niets groter gedacht kan worden, dat neemt hij over. En tegelijkertijd wijst hij ook op de... Te kort van de taal. Hij was nominalist in zijn benadering van de werkelijkheid. Inigo Bokken zegt zelfs een ultranominalist. Volgens de Rominalisten was het dus zo dat wij proberen grip te krijgen op de werkelijkheid door namen aan dingen te geven.
Maar komen die namen nou ook werkelijk overeen met de dingen die ze aanduiden? Bijvoorbeeld, wij noemen een bepaald voorwerp een stoel. Maar is het woordstoel? Valt dat nou samen met de realiteit van het ding waar wij die naam aan geven? Nou, volgens Koezanus en andere nominalisten is dat niet het geval. Het zijn maar woorden. En die woorden zijn maar bedenksels. En in iedere taal zijn woorden weer anders.
Dus een vlinder, die noemen wij vlinder. Maar de Engelsen hebben het over Butterfly, de Duitsers over Smettering, de Fransen over Papillon en de Italianen over Farfalla. Wat is nou de juiste benaming om. Dat insect te benoemen. Dus daarmee wil Koezanus maar zeggen van ja, het zijn woorden. En als we het over God hebben, ook het woord God is een menselijk bedenksel.
En als we het over de categorie zijn hebben of de categorie bestaan, ook dat zijn bedenksels. En op het moment dat wij zeggen God bestaat. Dan is God alweer weg. Want we moeten niet denken dat we met die woorden en die categorieën God kunnen pakken.
Hij noemt zich Ik Ben, de aanwezige.
Dat klopt. Dat is natuurlijk Exodus 3, vers 14, bekende openbaring van God aan Mozes in de brandende Brabos. Een tekst die een heel eigen leven is gaan leiden in de zijnstheologieën van God is de zijnde. Degene die er is. En dat heeft natuurlijk een enorme erruptie gegeven in de filosofie over dat hele begrip zijn. Waarbij dus Koezanus zegt, ja ook dat woord zijn is ontoereikend, want ook dat. kun je uiteindelijk niet op God van toepassing laten zijn, omdat dat weer een menselijke categorie is.
Nou is er een, is er één woord wat zichzelf is, is het woord woord.
En in dat woord heeft God zich geopenbaard. In Christus zien wij dus wie God is. En als we dus iets willen weten over God, dan moeten we naar Christus kijken.
Het lijkt me een lastige vertaling geweest, moet ik eerlijk zeggen. Want zorg te lezen vind ik het lastig, maar goed. Het tweede gaat over het heelal.
¶ Het Heelal als Gods Ontvouwing en de Drie-eenheid
Maar het eerste deel heb je het ook over de drie eenheid. En dan ga je naar het heelal toe. Of gaat hij naar het heelal toe. Wat is zijn logica erin?
Het heelol, om te beginnen, in het Latijn gebruikt hij dan het woord universum en door het merendeel van de vertalers wordt dat ook... niet verder vertaald, omdat natuurlijk in andere talen, universe enzovoort, dat kun je één op één vertalen, maar... Toch bedoelt hij daar meer mee dan wij misschien op het eerste gezicht zouden denken. Het is niet zozeer de kosmos, de ruimte.
Dat ook, zeker. Maar het is meer, het is het geheel van alle dingen. En daarom heb ik er ook zelf in de vertaling een neologisme van gemaakt. Heel al, met twee hoofdletters. Het is het geheel en al van alle dingen samen die dus met elkaar... De uitvouwing zijn, dat is een heel belangrijk term in zijn denken. Een explicatio, dus letterlijk de uitvouwing.
Van God in de dingen. In de mensen, in de dieren, in de hele schepping is God aanwezig. Daarom werd hij ook door zijn eerste tegenstander Johannes Wenk van pantheïsme beschuldigd. Maar Koezanus heeft dat zelf dan weer toegelicht dat dat niet zo is. Ze zegt ja, God is wel in alle dingen, maar zonder er deel van uit te maken. En daarom is dat het boek bestaat inderdaad uit drie delen. Heeft heel nadrukkelijk voor die...
Trinitarische structuur gekozen. Het eerste deel gaat over God en het tweede deel gaat over het heelal. Omdat dat dus eigenlijk de manier is waarop God zich geopenbaard heeft in de dingen. En dan ja heel. heel uiteindelijk toespitsen dat is dan het derde deel in Jezus Christus
Maar ook al de drie eenheid komt ook al in het eerste deel voor. Als drie-eenheid. En dat probeert hij toe te lichten. En ik vind het best een hele mooie gewaagde poging.
Nou ja, hij benadert die eenheid dus ook op een heel eigenzinnige manier. Hij heeft het dan dus niet direct over Vader, Zon en Heilige Geest. Maar over de eenheid en de verbinding. En de gelijkheid. Hij heeft het over de drie eenheid in abstracte termen. Dus niet vader, zoon en Heilige Geest, maar over de eenheid en de gelijkheid en de verbinding. Dus God is de eenheid, en Jezus is de gelijkheid, en de Heilige Geest is de verbinding tussen beide. Dus op die manier probeert hij dus door het.
Tillen op een hoger niveau van abstractie de drie eenheid inzichtelijker en toegankelijker te maken. Dus de achterlichende gedachte is als wij het over vader, zoon en geest hebben, dan denken we al vaak te concreet, dan wordt het te plat. We moeten het abstraheren, en daardoor wordt het volgens Koezan duidelijker. Of dat het geval is, dat laat ik aan de lezer. Dat kun je afvragen. Maar dat is wel om zijn manier om heel duidelijk te maken. Ja, die drie eenheid.
Die is nodig, het denk over de drieheilend, om toch iets over God te kunnen zeggen.
Ik gaf het net al even aan in het ontvouwen, dus God eeuwige. Deze schepping, ja het is toch, hij heeft het gemaakt in Christus en tegelijkertijd. Heeft het een tijdelijke aard, maar ook weer niet.
¶ Complicatio en Explicatio: Zaad en Boom
De metafoor die gebruikt wordt door Koezanus, maar ook al door mensen vorm, is die van de boom en het zaad en het zaad Zit een boom, een plant, whatever, zit in dat zaadje besloten. En daarvoor gebruikt Cousins dan de term complicatio samengevouwen. En pas op het moment dat het zaadje uitkomt. Dat past hij ook toe op God. Ik vind dat wel een mooie gedachte. Daar had hij overigens niet helemaal van zichzelf. Want dat kwam uit de school van Chartrep, waar hij heel erg veel van gelezen had.
Thierry van Schachter bijvoorbeeld, een bekende theoloog daarnaart, dat ze zeiden van kijk, Als je gewoon een bak met zaadjes hebt en je weet niet wat voor zaad het is, dan moet je wachten tot het opkomt. En dan kun je met terugwerkende kracht zeggen... Oh wacht even, het was dus het zaadje van een eikenboom of van een gladio of noem maar op. En dan zeggen dat is dus ook zo met God.
Je weet nooit wat God van plan is. Je weet niet wat God in zijn hoofd heeft bij wijze van spreken. Om het een beetje plat te zeggen. Maar op het moment dat de gebeurtenissen plaatsvinden, dan kun je met terugwerkende kracht zeggen, oh wacht eens even. Dus dat... was wat God voor ogen stond. En zo is bijvoorbeeld Jezus ook, zegt hij, die was in God. En wij wisten van tevoren niet hoe dat zou zijn, maar op het moment dat Jezus geboren wordt.
Dan kunnen we terugwerkende kracht zeggen, maar dat stond God dus voor ogen.
Dat is heel apart als je daarvan nodig hebt.
Ja, en ik proef steeds weer in zijn behoefte om dingen te verduidelijken. Om te proberen toch inderdaad de connectie te maken met de mensen. Probeer het te begrijpen. Zo en zo is het.
Dan moet ik denken aan die gelijkenis van Jezus, van de accheriste wereld.
Willen wij God zien, dan moeten we vooral om ons heen kijken. Dat deed hij ook. Hij was zeer geïnteresseerd in natuurkundige, verschijnselen, fenomenen. Ook een groot astronoom. En op die manier zag hij dus in de dingen om zich heen godsaanwezigheid.
Maar goed, er zit ook een scheiding in tussen datgene wat van God komt, wat uitzaait tot tarf, om het zo te zeggen, en het onkeruit. En Jezus zegt: laat het beide met elkaar opkomen. Wacht maar af wat het wordt.
¶ Kwaad, Gods Aanwezigheid en Christus' Kern
Ja, die vraag heeft Oesraan zich eigenlijk niet zo bezighouden. Theo Dice komt niet bij hem voor. Ik denk dat hij. Het kwaad beschouwt zoals de stoïci dat deden. Het kwaad is eigenlijk ja. De keerzijde van het goede. Zoals de schaduw er niet is zonder het licht, zo is het kwaad er niet zonder het goede. Dus omgekeerd ook als het goede is, moet het kwaad er ook zijn. Maar met dat vraagstuk hebben ze zich bij mijn weten in elk geval niet zo intensief bezig gehouden.
Die relatie tussen het eeuwigen. En de materie, het geschapene. In Christus. Hoe werkt het verder uit? Want het derde hoofdstuk is: ja, dat kun je eigenlijk. Je kunt het naast het evangelie liggen. Het is bijna een een hele letterlijke vertaling niet, maar het zit er wel heel dicht tegenaan.
Nou, dat valt mij ook op. Als je kijkt naar de citaten, dan zie je dat er dus in de eerste twee delen heel veel uit klassieken wordt geciteerd en uit de kerkvaters. Maar in het laatste deel, dan worden er opeens heel veel bijbelcitaten bijgehaald. Je zou kunnen zeggen dat het laatste deel het meest theologische is van de drie.
Maar hoe brengt hij die twee bij elkaar? Want het is natuurlijk... De gedachte. Ik ga naar Simeon toe in het tempel. Er wordt een baby binnengedragen en hij herkent daar Jezus, de Christus in. Ja, dat zou ik niet in elke baby herkennen.
Interessant, die opmerking, want onlangs toen... vroeg iemand mij ook in een interview naar aanleiding van dit boek. Van ja, gezien de tijd van het jaar zou het leuk zijn als je een citaat over kerst bij Koesanus kon meegeven. Nou, daar heb ik even naar gezocht. Nu vind je die niet in over de weten en onwetendheid. Maar heeft ook een groot aantal prekers van hem bewaard gebleven, van zo'n 300. En een paar daarvan gaan over kerst. Hij heeft bijvoorbeeld een prek gemaakt over de wijzen.
En dus ook een preek over Johannes 1. En het valt mij op dat hij... Dat is voor Koezanus toch inderdaad de kerstgedachte van het woord is vlees geworden. Kourdeus homo om met Anselms te spreken waarom God mens werd. Hij gaat niet in op het kindje in de kribb en al dat soort roeren details. Hij gaat het hebben over Jezus is het vlees geworden boord, dat is de kern, daar draait het allemaal om de incarnatie.
¶ De Kleinste en de Grootste: Mens als God
Dan heb je aan de ene kant over de grootste en het kleinste.
Jazeker, dat is natuurlijk ook van ja, God is de oneindige grootste, daar kun je. In laatste instantie niets over zeggen. Maar in Jezus is hij dus de kleinste geworden. En dat is natuurlijk die Twe-naturenleer, die haalt hij heel sterk over het voetlicht van hoe God mens werd, hoe het goddelijke en het menselijke in Jezus samenkomen. En dan komt hij tot een heel opmerkelijke antropologie, een heel bijzonder mensbeeld. Want zegt hij, wij moeten Jezus worden. En dat zegt hij met zoveel woorden.
Ja, dat is toch een hele opmerkelijke uitspraak. Maar ik denk dat het ook verklaarbaar is als je het afzet tegen datgene wat meister Eckhart ook gezegd van nou ja, wij zijn zonder God niets. Nou, dan is daar de logische consequentie van. Dus ja, de mens die heeft niet alleen iets goddelijks in zich, zoals Plato zei, de goddelijke vonkel zou. Nee, de mens is zelf ten diepste God.
Daar weer op gaan richten, dat wij dus op die manier onszelf in de spiegel van God gaan zien. Dat beeld gebruikte ook, dat van de spiegel van het zien van God, dat is dat wij onszelf leren zien als. Gods schepsel.
En daar zou niet ook een colonsens mee terug te komen van die merkenwaardige tekst als wanneer Christus verschijnt in ons leven is, niet zal zijn, maar is, nu al. Ja, ik kom er om me heen te kijken en denk ik. Oei, wat begrijp ik hiervan?
Ja, en dat is ook wat Koezanus steeds we laat terugkomen. Van wij moeten niet te klein over onszelf denken. Wij zijn. Wij zijn in onszelf God en dat bedoelt hij niet van... Op de manier waarop humanisten dat zeggen, van de mens is zichzelf een God of zo. Maar nee, hij bedoelt echt. In onze afhankelijkheid van God zijn wij zozeer identiek met Hem. We enerzijds zonder hem niets kunnen zijn, maar in hem zijn we alles.
Dat betekent dus dat wij... Ik dacht dat het één Johannes was, die brief stond. Als we hem zien zoals hij is, Christus, dan zullen hem gelijk zijn. Er zijn natuurlijk zijn wonderlijke teksten die je alleen maar vol verwondering kunt aannemen en ook. vol verwondering naar jezelf in de spiegel kunst gaan kijken.
¶ Mystiek, Ratio en Godsdienstvrede
Nou, die tekst van, we zullen hem zien zoals hij is, dat was natuurlijk een... Een klassieker binnen de mystieke kring ook. Daar wordt heel vaak ook over gediscussieerd binnen de mystieke literatuur van die tijd. En dat was ook wel interessant. Na het verschijnen van over de wetende onwetendheid ontbrand er een discussie. En de eerste kriticaster van Kousanus, ik noemde hem al Johannes Wenk, die verwijt hem dat hij te mystiek is.
Maar Wenk was dan ook een hoogleraar in de scholastiek in Heidelberg. Maar daarna komt er een heel debat met de monniken van Teger en zee, waar Koezanus veel te gast was. En binnen die kringen komt dan een verwijt van de prior van een Kartuizerklooster, Vincent van Aksbach, uit Oostenrijk. En die verwijt koezanis dat die veel te rationalistisch is. Want binnen bepaalde mystieke kringen was men van mening dat men het verstand helemaal moest uitschakelen en dat er alleen maar...
Met de affecten toenadering tot God gezocht kon worden. En het koezam zegt juist nee. Het verstand moet je niet uitschakelen, je moet het wel degelijk blijven gebruiken. Want als je alleen maar op het gevoel afgaat, dan verdwaal je ook.
Dus die beide kanten zijn... Het is een wezen die je kijkt door de verre kijken. Twee lenzen.
Ja, absoluut. En Koezanos die doet het de ene keer door de ene kant en de andere keer door de andere kant.
Ja, dat vergeten wij nog wel eens in deze tijd. We hebben de neiging door één lens te kijken, van de een of de ander. De wetenschappers zijn bijna absoluut geworden. Ik denk, nou, het mag iets bescheidener.
Nou, dat is natuurlijk ook wat Koezanus zo prachtig schrijft in het boekje over de godsdienstvrede, dat hij in 1453 publiceerde. Constantinopel werd ingenomen door de Turken. De stad viel. Europa stond op de achterste benen. Er moest een kruistocht komen tegen de Turken. En juist dan gaat Kousanus een boekje schrijven over godsdienstvrede, waarin hij betoogt dat men met elkaar moet praten in plaats van met elkaar te vechten.
Hij voert aan 15 personen op, vertegenwoordigers van verschillende religies en filosofieën. En dan doet hij de beroemde uitspraak dat hij zegt van ja, feitelijk is God te groot voor. één religie, secuud christendom. In alle religies is wel iets van God aanwezig. Ook al blijft hij zelf heel nadrukkelijk stellen dat het christenom wel de enige.
Juist is, zou ik maar zeggen. En in al die religies is iets van God terug te vinden. We moeten niet pretenderen dat wij het allemaal de wijsheid in pacht hebben.
Ja, als je gaat redeneren vanuit de zonvloed, dan zit daar heel veel in. Tegelijkertijd zegt hij ja, waar heel veel van de Saracenen bijvoorbeeld de mis mee ingaan, is het feit. En ook het Jodendom, maar zo zijn er meer. Die willen Jezus niet als de zoon van God zien. Daar zit voor hem het, ja, zoals net in het begin van de jaartelling, het cruciale punt.
Ja, nou dat dat is ook inderdaad inderdaad het geval. Wat ik altijd boeiend heb gevonden is dat hij de allereerste was ook. Hij was in veel opzichten de eerste, maar ook de eerste die in. systematische studies schreef over de inhoud van de Koran. Hij moest het doen met een gemankeerde Latijnse vertaling uit de 12 deeuw ofzo. Maar toch gebruikte hij dat boek dan om te komen tot zijn eigen beoordeling van de Koran. En hij heeft veel aanloop besteed aan de islam, veel meer dan aan andere religies.
Maar dan schrijf je op een moment wel over de islamiten. Ze zijn redeloze vervolgers van het kruis van Christus. En vooral dat woedeloos. Hij geeft heel scherp af op mensen die hun verstand niet gebruiken. En de hel is dus ook voor hem, die wordt bijvoorbeeld verstandeloze mensen. Dat is wel een grappige constatering.
¶ God als Kunstenaar en Het Onzegbare Genieten
Ik ga naar een ander stukje toe. Misschien kun je een stukje lezen. Uit de tweede boeken, 178, 79 en 180, zijn prachtige stukjes en dan mag je becommentariëren. Want dan ziet hij God als een kunstenaar. En dat vind ik ook wel een hele mooie manier om naar het een en ander te kijken.
Ja, dan schrijft hij dus in hoofdstukje 178. Wie zou deze kunstenaar niet bewonderen? Hij die bij de sferen, de sterren en de invloedssferen der sterren zelfs van een zodanige soort van kunst gebruik gemaakt heeft dat er zonder enige afgrenzing samen met de verscheidenheid van alle dingen een eenstemmigheid van alle dingen is. Hij die in één enkele wereld de afmetingen van de sterren hun plaats en beweging van tevoren overwogen heeft en de afstanden van de sterren zodanig geordineerd dat...
Als niet elke keurig welk gebied was zoals het is, het ook niet zou bestaan. Nog in een zodanig plaatse ordening zou kunnen zijn en ook het heelal zelf niet zou kunnen bestaan. Ik vind het schitterend. Kousanus is zelf ook op een bepaalde manier een kunstenaar. Zonder ooit zich bezig te hebben gehouden met de beeldende kunst of de muziek. Voor zover ik weet.
Maar bijvoorbeeld, hij maakt er wel van gebruik. Ook blijkt dat hij wel een groot liefhebber was van schilderkunst. Dat boekje De Vision D gaat heel concreet uit van de schilderij van Regie van de Weide. Dat beschrijft hij ook nadrukkelijk. Dat gebruikt hij als uitgangspunt voor zijn betoog. En ook in andere opzichten, bijvoorbeeld in de bekende trilogie van de idiota, de leek, gebruikt hij de leek als model.
Voor degene die onverwacht meer weten dan de wijze met wie die in gesprek gaat. En die leek is een lepelsnijder. Dus ook daar een ambachtsman, een creatief persoon. Kousanus was zelf ook heel creatief. En ik denk ook hierin in zijn denken was hij natuurlijk heel creatief. En ja, hij. Hij ziet God inderdaad als de kunstenaar, de artifacts, zoals er dan in het Latijn staat. Dus degene die...
En dat is een dubbele betekenis. Enerzijds een kunstenaar, een creatieve geest, maar ook iemand die met zijn handen werkt. Die een arsch beheerst. Een ars is niet zozeer... Kunst, ook dat, maar vooral ook vaardigheid. God is iemand die dingen in de hand heeft, een handwerker letterlijk.
Ja, Van Gogh zegt ook zoiets, dacht ik in een van zijn brieven. Dat hij zegt van, we kunnen wel met beelden, met verven en allerlei dingen knoeien. Maar er is één beeldhouder die het met mensen doet. Ik parfaseer nu heel erg, maar dat soort aspecten. Ik zie ik nog wat verder lezen, nummer 179. Er zijn een aantal hele mooie stukken. Ja, ik vind er heel veel mooie stukken in zitten, zometeen nog wel in het derde boek ook komen.
Bij deze zo bewonderenswaardige dingen die zo gevarieerd en divers zijn... Ervaren wij, middels de wetende onwetendheid, overeenkomstig het voorgaande, dat wij van alle werken gods geen enkele rationele kennis kunnen bezitten. toch ze slechts kunnen bewonderen omdat de Heer groot is en zijn grootheid geen einde heeft.
Aangezien hij de absolute grootheid is, is hij, zoals hij de auteur en getuige, a charge en décharge van al zijn werken is, ook het doel. Zodat in hem alle dingen zijn en er buiten hem niets is.
Nou, je mag wel verder gaan, want het smaakt naar meer dit hoor.
Hij is de oorsprong, het middelpunt en het doel van alle dingen. Centrum en omtrek van het heelal, zodat in alle dingen alleen Hij zelf gezocht wordt. Omdat zonder hem alle dingen niet zijn. Bezit men hem alleen, zo bezit men alles, omdat hij alles is. Weet men hem, zo weet men alles, omdat hij de waarheid van alle dingen is.
En dan zijn we weer terug eigenlijk bij de Colossensbrief. Alle wijsheid in Christus.
Ja, en vooral die laatste zin. Ik heb mijn vertaling gemaakt en steeds besproken met twee collega's, twee collega's classici. En bijvoorbeeld dat ene dingetje, weet men hem? best wel lang over zitten dubben, want ja, het staat er in het Latijn, maar het klinkt in het Nederlands wat wat krom. Weet men hem. En dan moet ik bijna denken aan het liedje van Claudia de Brij. Ken je mij? Dat is eigenlijk wat koezanen zijn van God weten. Dat is dus. Juist beseffen.
Dat je niets weet. Hij gebruikt elders in zijn boek een hele sterke beeldspraak van het uitbraken. Hij zegt: willen we iets over God kunnen zeggen en weten, dan moeten we eerst alles wat in ons hoofd zit. Moeten we kwijtraken. Alles wat we geleerd hebben, daar moeten we afstand voor doen. Dan in de Latijn het woord evomeren. Dat is echt uitbraak, uitkotsen, om het heel grof te zeggen. En pas als we leeg zijn, als we dat allemaal kwijt zijn, nou dan is er ruimte die God in kan gaan nemen.
En in het innemen van die ruimte. Blijf jij wie je bent en ik blijf wie ik ben. Dus hè, we worden niet.
Nee, ik denk dat dat het grote verschil is bijvoorbeeld met de visie zoals men die in de Oosters religies heeft, hindoeïsme, boeddhisme. Lost de mensen als het ware op in het grote al. Maar dat zegt Koezanus verschillende keren ook expliciet, met zoveel woorden, de individualiteit blijft bewaard. God komt in ons, wij komen in God, de Uniomystica, maar we blijven wel onszelf, we blijven wie we zijn. Dus hij doet geen afstand van onze persoonlijke eigenheid.
Heeft hij ook vrij uitgebreid in over de doodging Jezus, wat dat betekent, zijn opstanding. En dan komen ook van die kleine zinnetjes: als Zonder liefde is, geloof immers niet levend, maar dood en in het geel geen geloof. Je mag het stukje wel lezen, dit maar ook de eerste zin. Ik vind het prachtige stukjes. Eigenlijk zou je dit boekje gewoon voor me te lezen voor me te lezen. Ik bedoel, het eerste. Boek heb ik zoiets van, dat is heel langdraadig, maar dit is wat spitser.
Ja, hij zegt dan: zonder liefde is gelo immers niet levend, maar dood en in het geheel geen geloof. De liefde, toch, is de vorm van het geloof die er het ware zijn aangeeft, die het kenmerk is van een zeer standvastig geloof. Als er halve vanwege Christus alle dingen worden achtergesteld, lichaam en ziel in vergelijking met hem als niets geacht worden, dan is dat een teken van een zeer groot geloof.
En moet je nou de eerste zin eens bijpakken, dit kleine stukje.
Maar geloof kan niet groot zijn zonder de heilige hoop Jezus zelf te genieten.
Nou dit het genieten. Dit dit is toch bijna... Dit genieten. Dit is toch een smaak, een... Een intimiteit vraagt dit.
Nou ja, het is frappant dat hij precies met deze woorden ook het boek afsluit. In die brief aan kardinaal Julianus, een vriend, aan wie die het ook opgedragen heeft. Het boek begint met een opdracht en het boek eindigt met een afsluitende brief. En het allerlaatste wat Koezarus dan vraagt is of Julianus voor hem wil bidden. Dat hij, evenals Julianus, dan samen met hem ooit van God zal mogen genieten. En ja, dat is het laatste woord ook van overweten en onwetendheid, is genieten.
Ja, hij schrijft het als volgt. Degene die op zodanige wijze tot Jezus doordringt, vallen alle dingen toe. En er zijn geen geschriften van welke aard ook, nog deze wereld, die hem enigerlei moeilijkheden in de weg kunnen leggen. Omdat hij vanwege de geest van Christus, die in hem woont, veranderd wordt. In Jezus, die het einddoel is van ons intellectuele verlang.
Dat u hem, alle vroomste Vader, met nederig hart voor mij, arme zondaar, voortdurend wil smeken, opdat wij op gelijke wijze verdienen hem voor eeuwig te genieten. Ik heb maar even voorgelezen het laatste stukje van die brief, maar goed. Binnen met een jaar met emeritator je dat mag leven, dan wordt het. Ja, ik denk je nu ook gewoon genieten als ik denk, nou kijk, maar goed, dit zijn toch aspecten die je weinig tegenkomt tegenwoordig.
Nou ja, dat is denk ik enerzijds wat mij in Koezan zo aanspreekt. Anderzijds ook waarom ik hem zo verrassend actueel vind en waarom ik denk dat het zinvol is dat hij ook vandaag de dag niet alleen vertaalt, maar ook zelfs gelezen wordt. Of ja, ze zeggen was onbekend, maakt onbemind. In het protestantse volksdeel met name is de naam Coersaans natuurlijk bijna volstrekt onbekend. En ja, vandaar ook dat.
Ik ga nu mijn best ga doen om heel veel lezingen en verhandelingen over hem te houden, om wat bekender te maken. En dit aspect ook, hij heeft een visie die verder rijkt dan de maan van de dag. Ja, dat is denk ik waar veel mensen zich vandaag de dag aan zo kunnen spiegelen.
¶ Verlost van Onwetendheid door Christus
Het boek heet Over de wetende onwetendheid. En dan komt er zo'n merkwaardig zinnetje voor. Maar goed, er zijn wel meer merkwaardige zinnetjes in. Ik ga nu maar van Rot naar Herren. In het. Nummer 253 van het derde boek, hoofdstuk 11 is dat. Gezegen zijn God, die door zijn Zoon ons heeft vrijgekocht uit de duisternis van een zo grote onwetendheid. Dus dan zijn wij vrij van die onwetendheid.
Maar wat bedoelt hij daarmee? Want je mag het ook al lezen verder hoor, want ik citeer hem alleen de eerste zin natuurlijk.
Ja, gezegend zei God, die door zijn Zoon ons heeft vrijgekocht uit de duisternis van een zo grote onwetendheid. Opdat wij weet hebben van alle valse dingen en oplichterijen die door een ander middelaar dan Christus, die de waarheid is, en door een ander geloof dan dat in Jezus, op welke manier dan ook, tot stand gebracht worden. Omdat er slechts één Heere Jezus is die machtig is boven alles, die ons vervult met alle zegening, als enige al wat ons ontbreekt in overvloed, het verkeren.
Ja, Koezanus gebruikt het woord ignorantia, onwetendheid, op twee manieren. Op een positieve manier en op een negatieve manier. En zoals het in de titel voorkomt, is de positieve manier de onwetendheid waarna we moeten streven. Maar Paradoxaal genoeg zegt hij, op dit moment zijn wij ook onwetend, alleen op de verkeerde manier. Wij weten niet, om het een beetje op zo'n koezans te zeggen, wij zijn onwetend over het feit dat we onwetend moeten worden.
Dus ons vertrekpunt is de onwetendheid. We weten gewoon een heleboel dingen niet. En nu is Koezanus om begonnen dat hij ons tot dat in zich brengt, dat we onwetend zijn. En dan. Kun je beginnen met de denkweg die je uiteindelijk leidt tot de goede onwetendheid. De goede onwetendheid is het inzicht dat je over God niets kunt weten.
Maar goed, hij gaat hier, zegt hij, bent eruit verlost door Jezus Christus. Dus Jezus Christus, en dat komt in. Ik ga weer in die coalescentenbrief terug, die is er heel centraal in, maar op een manier die ik in andere brieven bijna niet vind.
Nee, dat is... En daarom is denk ik Kousano sowieso gefascineerd door die coloscentenbrief en heeft hij zo'n belangrijke rol bij hem gespeeld. Uiteindelijk iemand moet ons de kennis laten maken met onze onwetendheid. In de verte schemert de grot van Plato door. Mensen die in die grot zitten, die denken dat dat de enige werkelijkheid is. Nou ja, zegt Koezanus, wij mensen weten van onszelf eigenlijk ook niets. En we denken dat het goed is.
Maar op het moment dat Christus komt en we met Christus geconfronteerd worden, dan houdt Hij ons de spiegel voor van het feit dat wij eigenlijk niets weten en dat wij. geroepen zijn om ons te richten op God. En hoe dichter wij op God komen, hoe meer we ook zullen getroffen zijn door het inzicht van ja, er is nog een andere soort ontwetendheid, maar die moeten we juist nastreven.
En het betekent een wezen dat je dan in contact bent als stervelijke mens, zoals ik hem zo moeten zeggen. Met het absoluut eigenlijk.
Ja, in dat verband maakt hij ook gebruik van een heel bekend mystiek beeld. van Exodus, waar beschreven wordt dat Mozes de berg Sinai beklimt en dat die berg Sinai wordt omgeven door een grote wolk. En het volk moet op grote afstand blijven en alleen Mozes mag naar boven en die verdwijnt op een gegeven moment in de wolk. En Kousano zegt, die berg... Dus het bestijgen van de berg, dat is het.
Opklimmen tot Christus. Ik vind dat een prachtige metafoor waar hij op een hele eigenzinnige manier gewoon ja vrijlijk met die tekst van Exodus omspringt, maar het zegt wel heel veel over zijn. manieren van omgaan met en kijken naar Christus, het zien op Christus, dat dat het absoluut noodzakelijk is om verder te komen in deze wereld.
Het gek is dan dat je in die wolk van onwetendheid binnengaat, die donkere wolk. En als je eruit komt, dan zien mensen aan het gezicht dat er is iets gebeurd.
Ja, nou dat is ook inderdaad wat Koezarov zegt, op het moment dat je God ziet. Dan verander je. Hij heeft het over de viator, de reiziger, wij zijn reizigers. We zijn onderweg, we hebben een specifiek doel voor ogen, een heel duidelijk doel, maar we zijn er nog niet. We hebben het oog op Christus en Christus is degene die... Al gekomen is, de Atveniëns, dus de mooi in deze tijd van het kerkelijk jaar, degene die
die gekomen is, die het doel bereikt heeft. En op dat wij ons doel bereiken, moeten we op Christus zien en kijken van welke weg is hij gegaan. Nou, die weg moeten wij dus ook gaan.
Je zegt deze tijd van ja, dit wordt net voor de kerst opgenomen. Dus daarna uitgezonderd moet ik even zeggen. Er zit tegelijk iets anders in, wat mij ook opviel toen gisteren geïnterviewd wat hierover is: van wij gedenken nou vaak een babytje in een krib. Ik denk, ja dat is 2000 jaar geleden. Maar op dit moment is iets heel anders aan de hand.
Ja, ik heb niet de indruk dat Koezanus zich zo heel concreet met een bepaalde tijd heeft bezig gehouden. Want hij poneert heel duidelijk datgene wat Christ is. gedaan heeft zijn komst en de betekenis van die komst, die is van alle tijden. Dus hij besteed opmerkelijk weinig aandacht aan een actuele situatie. Hij zeg gewoon van, nou ja, dat. Wat in de Bijbel gezegd is over het woord dat vleeswoord is, daar hebben wij Anno 1440 toen hij dit schreef. En 2023 nu en volgende tijden altijd weer de no.
Ja, maar ik wilde ook meer zeggen dat hij, als ik dit goed lees, meer uitgaat van de positie van Christus nu dan toen in die kribben.
Ja, inderdaad. Hij probeert de mensen duidelijk te maken wat de betekenis van Christus voor nu is. Dus hij blijft ook niet hangen in... In de Bijbeltijd zal ik maar zeggen, daar heeft hij het nooit over eigenlijk van nou ja, over de vraag van historisch dit of historisch dat. Dat speelde in die tijd nog helemaal niet. Jezus was geboren zoals het in de Bijbel stond, daar. Daar kwam niemand aan en die historische Jezus is voor hem dan ook, ja daar staat en valt alles mee.
¶ Actuele Relevantie: Verwondering in een Platland
Het begin al een boekje genoemd, dat heet Flatland of Plattland. Dat noem jij, dacht ik, ook een bepaalde... Bepaalde mate. Dat wiskundige wat erin zit. Twee dimensies. Er is een derde dimensie. Dat lijkt nu. Het lijkt van alle tijden te zijn, maar ook in deze tijd zeker. Alsof dit alles is wat er is. Zel ik denken van: jongens, denk eens na.
Hoe overstijg je dat? Of hoe kun je mensen duidelijk maken dat er meer is dan die drie dimensies waar wij in leven dan? En in platland, flatland is het een flatland, platland is het een tweede dimensies.
Ja, ik denk. Ik heb in het voorwoord ook gezegd. Vandaag de dag zijn veel mensen die zich natuurlijk zichzelf agnosti noemen. Het iets is me, er zal wel iets zijn. Ik denk dat als Koezanus dat gehoord zou kunnen hebben, dat de drillingen over de rug waren gelopen en hij zou agnosten als intellectuele luiaarts hebben omschreven. Je moet nadenken en je moet blijven nadenken. En juist het materialisme wat er vandaag de dag is, maar wat er natuurlijk toen in de renaissance ook was, de nadruk op het.
En op het moment dat je gaat nadenken overstijg je de platheid. En dan ben je in staat om tot het institut te komen... Er is meer en dat meer is niet iets ondefinieerbaars, iets abstracts, maar dat meer, ja dat is God die in Christus Jezus naar ons toegekomen is.
Wat is nadenken? Want ik heb het idee dat tegenwoordig, dan ga ik heel ondeugend zijn, wat men wel zegt op bepaalde universiteiten of hogescholen, dat mensen leren wat ze moeten denken, niet hoe ze moeten denken.
Ik denk dat nadenken begint met verwonderen. Dat is ook een hele oude platoons adagium waar Kousanos ook. al vrijwel direct in het begin van zijn dokter igurantia mee inzet. We moeten beginnen met onszelf te verwonderen. Wat is dat allemaal om ons heen? Hoe is dat er gekomen? En dan kom je tot de inzicht van dat dingen die wij om ons heen zien, die benoemen we met menselijke woorden.
En we kunnen ze benoemen omdat we weet hebben van verhoudingen. Dat is ook een heel centraal begrip in zijn filosofie, de proportie. En op het moment dat we dat gaan doen, komen we op enig moment ook tot inzicht van ja, er is ook iets wat alle verhoudingen overstijgt, waarvoor geen verhoudingen te vinden zijn. En dat is God.
Goed, ik wou het even laten. Dankjewel.
Ik vond het een prettig interview. Ook bedankt.
Of je zou nog wat meer willen zeggen. Maar ik weet het niet.
Um
Nou ja, ik hoop van ganzer harte dat mensen zich niet laten afschrikken door de omvang van het boek of door... De eerste pagina's waarvan ze misschien denken van nou dit is wel erg abstract, maar dat ze merken dat hoe verder je komt, hoe duidelijker het allemaal wordt.
Daar nu echt dankjewel. En dit zijn Gert en Hartoch. En met hem was ik in gesprek over Cusanus, over de wetende onwetendheid. Een boek wat hij vertaald heeft, maar wat uitgegeven is bij Uitgeverheid Daaman in.
